Home » Achtergrond, Buitenland, Operarecensie, Reisverhalen

Palermo (2): Prachtzang tussen bordkarton

Palermo2 november 2011 1 reactie

Palermo is één en al theater. Binnen de muren van het beeldschone Teatro Massimo, maar ook daarbuiten. Basia Jaworski bezocht de Sicilianen en doet verslag. In deel twee: een levenloze Trovatore, mét echter een paar geweldige zangers.

Scène uit Palermo's Trovatore (foto: Franco Lannino).

Wanneer heeft u voor het laatst Il Trovatore in Amsterdam gezien? En dan bedoel ik niet een voorstelling door één of ander reizend operagezelschap uit het voormalige Oostblok, maar in een vooraanstaand operahuis?

Opera Forum heeft de opera in 1989 op de planken gezet (een afschuwelijke productie met een totaal afgezongen Adriaan van Limpt als Manrico en als Luna een mooie, helaas niet ingeloste belofte voor de toekomst, een schitterende jonge Nederlandse bariton, Henk Poort), maar voor een productie van De Nederlandse Opera moeten we 31 jaar (sic!) terug, naar het jaar 1980.

Nou is Il Trovatore inderdaad niet de makkelijkste opera om te ensceneren. Het libretto is behoorlijk warrig en met een ‘conceptuele updating’ snap je er helemaal niets meer van, al moet ik toegeven dat de Carsen-productie in Bregenz best heel erg vernuftig was.

Wat overblijft, is een traditionele, rechttoe rechtaan enscenering die alle valkuilen van de ‘pittoreske’ zigeunerkampen weet te omzeilen of anders een concertante opvoering. Maar in alle gevallen heb je vijf kannonen van stemmen nodig, gepokt en gemazeld in het ‘Verdi-fach’.

Manrico uit duizenden

De productie die het Teatro Massimo in oktober 2011 op de planken heeft gebracht, komt oorspronkelijk uit Bologna en is zes jaar oud. En om meteen met de deur in huis te vallen: het was een productie van niets. De decors waren net niet van bordkarton en de regie (laat staan personenregie!) was non existente.

Men kwam van links, men kwam van rechts, men daalde de trappen af, men klom de trappen op (fijn voor de dames in hun lange, zware jurken!), men knielde, hief handen ten hemel… Meer beweging zat er niet in of het moest van de balletdansers komen, die de scènes voor ons uitbeeldden.

Giordani als Manrico (foto: Franco Lannino).

De regisseur (de Schotse Paul Curran) nam niet eens de moeite om naar Palermo te komen en liet de boel aan zijn assistent (?) Oscar Cecchi over. Zelden zie je de zangers zo ontzettend aan hun lot overgelaten, wat zich voornamelijk bij de tweede cast (men werkte met een dubbele bezetting) heeft gewroken.

Nou werden ze ook niet echt door de dirigent geholpen. Renato Palumbo, toch best een naam op het gebied van opera, wist niet precies welke tempi hij moest nemen. Soms was het te snel, soms tergend langzaam, in één woord: onevenwichtig.

Gustavo Porta (cast B) was een prima Manrico met een mooi ouderwets geluid, maar na de pauze raakte hij duidelijk vermoeid en begon te pushen. Nee, dan Marcello Giordani! Wat een geluid! Een Manrico uit duizenden met alles erop en eraan. Zijn prachtige hoge c in ‘Di quella pira’ was helemaal al punto en squilante, daar wordt een mens heel erg gelukkig van.

De Uruguayaanse María José Siri (een protégé van Ileana Cotrubas) was een aardige Leonora, maar ik vond haar hoogte nogal schel. Amarilli Nizza deed het duizend keer beter. Haar stem is inmiddels van bijna veristische afmetingen geworden, maar ze wist – herstellende van een zware, maandenlang durende ziekte – toch haar hoogte mooi en soepel te laten opbloeien en dan in de mooiste pianissimi te laten overgaan.

Roberto Frontali (foto: Franco Lannino).

Juan Jesús Rodriguez (Luna) was geen partij voor Roberto Frontali. Wat de laatste demonstreerde, was de ware kunst van het echte Verdiaans zingen, dat hoort men nog maar zelden.

Mariana Pentcheva (cast A) zong Azucena met een enorme tremolo en ‘wijd vibrato’. De stem op zich was zeker indrukwekkend, warm, diep en laag, maar wat ze ermee deed, kon me absoluut niet bekoren.

Anna Malavasi klonk in ieder geval frisser. Ze beschikte over een goede hoogte en laagte, al ging het niet zo diep als bij haar Bulgaarse collega. Erger was echter dat het leek alsof ze met twee stemmen tegelijk zong die elkaar nergens tegenkwamen – ergens tussen de laagte en hoogte in lag een enorm ravijn van stembreuk. Het kan ook aan haar jonge leeftijd liggen, maar iets zegt mij dat zij zich beter op de hogere mezzorollen kan concentreren en Azucena met rust moet laten.

Giovanni Battista Parodi en Francesco Palmieri (Ferrando) waren aan elkaar gewaagd, al beschikte Parodi over meer bühnepresence.

Hieronder de officiële trailer van de productie:

Trivia

Het publiek kleedt zich aan. Prachtige jurken, hoge naaldhakken, zelfs een bontje wordt uit de kast gehaald, ondanks de 22 graden buiten. In de pauze wordt er naar buiten gehold! Want er moet gerookt worden. Nergens ter wereld wordt er zo veel gepaft als in Palermo!

Op weg naar de benedenfoyer ruikt het naar oude spoelkeukens, maar de foyer zelf is mooi, ruim en rijkelijk voorzien van alles wat een hongerig en dorstig mens gelukkig kan maken.

Een glas voortreffelijke witte wijn kost 5 euro (je kan er mee de tuin in om van de laatste zonnestralen te genieten) en de verrukkelijke broodjes kosten iets meer dan 2 euro.

In de foyer hangen veel oude affiches. Tot mijn grote hilariteit lees ik in die van La Gioconda met Leyla Gencer uit 1969/70 dat Alvise gezongen werd door Anna di Stasio en La Cieca door Piero Cappuccilli. Tja ….. La vita é bella!

door

Il Trovatore
Giuseppe Verdi

Uitgevoerd door: Orchestra e Coro del Teatro Massimo onder leiding van Renato Palumbo.
Solisten: Roberto Frontali/Juan Jesús Rodriguez, Amarilli Nizza/Maria José Siri, Marcello Giordani/Gustavo Porta, Giovanni Battista Parodi/Francesco Palmieri, Roberto Jachino Virgili, Sabrina Testa, e.a.
Regie: Paul Curran.
Bezocht op 22 en 23 oktober 2011

1 reactie »

  • Hans van Verseveld zei:

    Natuurlijk moet van Verseveld weer even liggen zieken, want de laatste Trovatores in Nederland gingen concertant op 22 en 23 oktober 2001 in het Amsterdamse Concertgebouw onder Ed Spanjaard en met de zelfde bezetting 5 keer in Rotterdam/AHOY in een prachtige regie van Craig Revel Horwood in januari 2002.

    Over die bezetting gesproken, dat waren toen absoluut niet minste zangers t.w. Olga Romanko als Leonora, Elisabetta Fiorillo als Azucena, Ignacio Encinas als Manrico, Vladimir Stoyanov als Luna en tenslotte Martin Tzonev als Ferrando Voorwaar Peter Kroone van The Companions wist z’n zangers wel bij elkaar te krijgen! Allen hebben het ver geschopt in de operawereld. (Bestaan CD en DVD opnamen van!)

    Het is inderdaad treurig dat dit parelsnoer van heerlijkheden, want dat is Il Trovatore toch, zelden meer gespeeld wordt in Nederland. Nou moet ik toegeven, dat we natuurlijk geen zangers als Deutekom, Derksen, Canne-Meijer, van Limpt en Tom Haenen meer hebben. Deze vijf zangers werden toen aangevuld met nog vier Nederlanders. De (illegale) CD opname van deze gebeurtenis moet ik van harte aanbevelen. Fragmenten van deze uitvoering staan ook op de Jan Derksen Box (Ponto po 2002)

    Als ik de geluidsopnamen van toen 1980 met die van nu van Basia vergelijk, dan maak ik mij niet alleen zorgen over de zangkunst in ons land, maar zeker ook over die in Italie!!

    Niets dan lof overigens voor het voortreffelijke, warme zonnige artikel over Palermo en zijn prachtige Teatro Massimo. In dat theater zongen alle groten der aarde en als het om die Gioconda gaat met Gencer, Cappuccilli en di Stasio in de juiste rollen, dan bestaat daar ook een goede opname van, maar daarvoor moet je wel het internet afstruinen.

    Heerlijk, dat voor de kinderen van Sicilië nog zoiets gedaan wordt als culturele opvoeding, maar daar zullen wij in Nederland met zo’n misser van een staatssecretaris van cultuur wel nooit meer aan toekomen en dan te bedenken dat Italië de zelfde weg opgaat als Griekenland en dus geen cent te makke heeft wij nog steeds een land zijn van rijke stinkerts zijn.

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.