BuitenlandOperarecensie

AscheMOND mixt oud en nieuw met succes

Componist Helmut Oehring en regisseur Claus Guth presenteerden in juni bij de Staatsoper in Berlijn een nieuw muziektheaterwerk: AscheMOND oder The Fairy Queen. De productie mengde van alles door elkaar, met een eigenlijk heel overtuigend resultaat.

Scène uit AscheMOND, met Ulrich Matthes en Marlis Petersen (foto: Monika Rittershaus).
Scène uit AscheMOND, met Ulrich Matthes en Marlis Petersen (foto: Monika Rittershaus).

Een ‘semi-opera’ genaamd AscheMOND, wat is dat? Een mix van Aschenbrödl en Frau Luna? Nee, het is een nog veel grotere mengelmoes. De productie roert Shakespeare en Purcell door een non-plot en 21e-eeuwse muziek van Helmut Oehring. Dat klinkt als een gevaarlijke studentencocktail uit de jaren tachtig… Zeker omdat ook nog geput wordt uit werk van Sylvia Plath, het trendy idool van het universiteitswezen van die tijd. Hoe ouderwets!

Het leek er dus op dat ik een vreselijk pretentieuze middag tegemoet ging. Maar het pakte geheel anders uit.

Als een stuk ermee adverteert dat het geen plot heeft, kun je het moeilijk daarop kritiseren. En eigenlijk zat er wel iets van een lijn in: een serie terugblikken van een jonge man, theoretiserend over zijn rare, seksueel onvolwassen, egocentrische moeder en haar alcoholische zelfmoord. Ms. Plath, neem ik aan.

Iemand had echter het idee om liederen van Purcell te gebruiken en Herr Oehring had klaarblijkelijk zijn eigen settings van Shakespeares sonnetten nog onder in een la liggen. Het geheel werd in het Duits vertaald door Stefanie Wördemann en voilà: de non-plot, de semi-opera. Met feeën in de keuken. Ik weet niet precies waarom. Maar het waren leuke feeën, en ze klonken groots.

AscheMOND pretendeerde zeker niet een non-partituur te hebben. Sterker nog, het heeft er één van formaat. De mix van Purcells muziek en Oehrings moderne klanken werkte prachtig. Ik verwachtte me op een gegeven moment oncomfortabel te gaan voelen, maar dat gebeurde niet. Een wonder, aangezien de voorstelling 2,5 uur duurde, zonder pauze.

Het enige deel dat ik niet mocht, was de klagende setting van ‘Shall I compare thee to a summer’s day?’ Tegen de tijd dat de zanger bij de laatste lettergreep van een woord kwam, was je de eerste alweer vergeten. En – sorry meneer Purcell – het muzikale hoogtepunt van de avond was voor mij de contra-altsolo in ‘Autumn’. Van Oehring.

De enscenering was eveneens verrassend. Toen ik van tevoren de productiefoto’s bekeek, leek het een saai ‘boxdecor’ te worden. Maar de box bleek eindeloos te kunnen draaien (misschien te veel) en produceerde zo naadloze actie. Ondanks dat het ‘non-verhaal’ vereiste dat dezelfde scène een paar keer herhaald werd, begon het pas in het laatste half uur enigszins te vervelen. Toen begonnen mensen uit het publiek ook te vertrekken.

Aan het libretto te zien was er wel wat gesneden, maar het had meer kunnen zijn. En een pauze zou goed zijn geweest. Want zonder werd het langzame tempo van de voorstelling te benauwend.

(Foto: Monika Rittershaus)
(Foto: Monika Rittershaus)

De cast zong de twee soorten muziek goed. Tanja Ariane Baumgartner (contra-alt) kreeg het mooiste van de nieuwe partituur toebedeeld, Bejun Mehta (countertenor) het beste van Purcell. Marlis Petersen (sopraan) deed het als moeder goed in beide genres, maar haar karakter was zo irritant, dat je de ellendige vrouw enkel van het toneel verwijderd wilde zien worden.

Bijzonder in de voorstelling was de rol van huishoudster, gespeeld in gebarentaal door de dove actrice Christina Schönfeld. Een optreden waarmee ze de show stal. Ook de centrale figuur van de jongen, de verteller, werd prachtig gespeeld door Ulrich Matthes, met de kraakhelderste acteursstem die ik in jaren gehoord heb.

Ik kan nog wel even doorgaan met het opnoemen van betrokkenen. Ze vulden zes bladzijden in het programmaboekje. Twee orkesten, instrumentale solisten, twee dirigenten, een dansgroep (hoewel het danselement er wel erg in ‘geplakt’ was), ontwerpers van dit en dat, enzovoort. Maar bij een wereldpremière is het toch vooral het werk zelf dat telt.

Ik hoop dat de makers verder zullen blijven werken aan AscheMOND. Misschien nog wat meer knippen. En misschien kan de moeder minder Plath en meer sympathiek gemaakt worden. Een nieuwe setting van ‘Shall I?’ is wenselijk. En laat de volledig overbodige choreografie maar weg. En zonder twijfel: stop er een pauze in.

In dat geval zou ik het stuk best nog eens willen zien. En dat is voor mij – iemand die in 67 jaar nooit ook maar een halfmoderne semi-opera een tweede keer gezien heeft – toch best wat. De wereld zit vol verrassingen!

Vorig artikel

Marshall laat West Side Story herleven

Volgend artikel

Bravissimo: rondlopen in de Enschede Ring

De auteur

Kurt Gänzl

Kurt Gänzl