Home » Featured, Operarecensie

DNO’s Eliogabalo is een kleurrijk schouwspel

Amsterdam13 oktober 2017 33 reacties

Operadebutant Thomas Jolly heeft Francesco Cavalli’s lang vergeten opera Eliogabalo tot een aangenaam en kleurrijk schouwspel gemaakt bij De Nationale Opera in Amsterdam. De muzikale kwaliteit tijdens de première donderdagavond was wisselend.

Franco Fagioli als Eliogabalo. (© Ruth Walz / DNO)

Francesco Cavalli schreef Eliogabalo in 1667, ongeveer tien jaar voor zijn dood. Het werk werd tijdens zijn leven nooit opgevoerd en beleefde pas in 1999 zijn première. De Nationale Opera brengt de opera in coproductie met de Opéra national de Paris, waar het een jaar geleden met succes werd opgevoerd.

De titelheld Eliogabalo is zeer losjes gebaseerd op de Romeinse keizer Heliogabalus, die in 218 op veertienjarige leeftijd door allerlei machinaties het hoogste Romeinse ambt in de schoot geworpen kreeg. Vier jaar later werd hij vermoord. Zijn ambtsperiode wordt gezien als één van de meest ontluisterende uit de Romeinse historie.

Cavalli’s opera concentreert zich op de verhouding van deze tiener tot de vrouwen in zijn omgeving. Daardoor ontstaat een uitvergrote karikatuur van een soort Don Giovanni avant la lettre. Dat zal zeker een kant van het verhaal zijn geweest, maar daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat de jonge despoot al voor zijn verheffing tot keizer hogepriester was van het heiligdom van Heligabalus in Esmene, het huidige Homs in Syrië. Hier werd de zonnegod vereerd, ook wel bekend als Sol Invictus Heliogabalus. De keizer ontleende zijn ‘roepnaam’ dus aan de godheid in wiens dienst hij was.

De nieuwbakken keizer nam zijn god, de specifieke eredienst en zijn in Romeinse ogen exotische, oriëntaalse gebruiken mee naar Rome en maakte Sol Invictus tot oppergod, aan wie alle andere goden ondergeschikt waren. Daardoor kon de keizer ook rustig een Vestaalse maagd trouwen, aangezien haar religieuze status in zijn beleving niet langer ter zake deed. Koppel dit aan een oriëntaals fenomeen als tempelprostitutie, denk aan de cultus van de Syrische godin Astarte, en de ingrediënten voor een kritische biografie van keizer Heliogabalus liggen voor het oprapen.

Doorgecomponeerde opera

In Cavalli’s opera is Eliogabalo vooral een ondeugende tiener met vervelende trekjes. Hij probeert bijna wanhopig de gunsten van verschillende vrouwen te winnen en wordt daarbij geholpen door zijn vertrouweling Zotico. Deze geeft zijdelings commentaar op wat er van hem verlangd wordt, waardoor zijn rol duidelijk vooruit lijkt te lopen op die van Leporello.

Nicole Cabell (Gemmira) en Ed Lyon (Alessandro) in Eliogabalo. (© Ruth Walz / DNO)

De oude voedster Lenia intrigeert van harte mee. Haar personage wordt gezongen door een man en is verantwoordelijk voor de komische noot in het geheel. Daar had overigens in deze productie wel meer mee gedaan kunnen worden.

Het verloop van de handeling is bij wijlen infantiel en moet zijn kracht duidelijk ontlenen aan de solostukken – aria’s is een te groot woord – waarin de protagonisten hun zielenroerselen kenbaar maken. Doordat er nauwelijks sprake is van muzikale momenten waarin de voortgang volledig wordt stopgezet, kan Eliogabalo bijna een doorgecomponeerde opera worden genoemd, iets wat meestal op het conto van Richard Wagner wordt geschreven.

De keizer interfereert in de liefdesbetrekkingen van twee koppels, Giuliano en Eritea en Alessandro en Gemmira. Giuliano is de prefect, militaire leider, en Alessandro is Eliogabalo’s neef en vertrouweling. Om het verder te compliceren is Gemmira de zus van Giuliano. Zo gecomprimeerd lijkt het sterk op de relaties in Mozarts Clemenza di Tito, alleen stuurt daarin een beminnelijke keizer onbedoeld alles in de war, niet een irritante puber die toevallig te veel macht heeft.

De historische Heliogabalus werd vermoord door zijn lijfwacht en daar kan Cavalli met zijn Eliogabalo niet omheen. De afrekening vindt buiten beeld plaats en ten bewijze komt Gemmira als een soort Salome op in een met bloed bevlekt gewaad, waarin het hoofd van de keizer blijkt gewikkeld. Dat wringt nogal met de luchtige toon van het verhaal tot dan toe. Was het dan toch een antieke versie van The Rocky Horror Show?

Schertsfiguur of moordenaar?

De jonge Franse regisseur Thomas Jolly en zijn team hebben gekozen voor een betrekkelijk klein, eenvoudig decor enerzijds en spectaculaire lichteffecten en zeer opvallende kostuums anderzijds. Voortdurend stralen er compacte, witte lichtbundels naar beneden, duidelijk een verwijzing naar de status van Eliogabalo als priester van de zonnegod. Kleurrijke lichtbundels proberen de zaal te omvatten, wat voor het publiek op momenten niet erg prettig is.

Eliogabalo’s pronkgewaad doet sterk Egyptisch aan – denk aan Toetanchamon – wat ook weer naar de zonnegod verwijst. Het geheel biedt een kleurrijk schouwspel, dat de trage voortgang van het geheel – het is per slot van rekening een barokopera – redelijk weet te compenseren: de aandacht wordt vastgehouden.

De muzikale kwaliteit tijdens de première was wisselend. Een kleine bijrol als die van Atilia bracht wat fleur in het geheel. Zij wervelt om de twee liefdesparen heen en Mariana Flores wist dat vocaal aardig tot uitdrukking te brengen. Iets dergelijks kon gezegd worden van het optreden van Scott Conner als Nerbulone. Ook Matthew Newlin als Zotico en Emiliano González Toro als Lenia vervulden hun rollen adequaat.

Van de twee vrouwelijke hoofdrollen beviel Kristina Mkhitaryan als Eritea mij het beste, hoewel ze in de openingsscène nogal moeizaam op gang leek te komen. Nicole Cabell was een goede Gemmira, maar niet opvallend.

Scène uit Eliogabalo, met op de voorgrond in het midden Ed Lyon als Alessandro. (© Ruth Walz / DNO)

Valer Sabadus als Giuliano viel mij ronduit tegen. Zijn reputatie als alles kunnende countertenor ten spijt vond ik zijn stem onder de maat; meer piepen dan zingen. Acterend wist hij bovendien geen enkel moment de indruk van een militaire bevelhebber te wekken. Zijn personage werd zodoende de minst ontwikkelde van het geheel.

Tenor Ed Lyon als Alessandro kwam daarentegen als nobele prins zeer geloofwaardig over en was vocaal een genoegen om naar te luisteren.

Franco Fagioli wist goed raad met de titelrol, echter zonder dat hij de voorstelling volledig naar zich toe wist te trekken. Dat is natuurlijk ook lastig. Is hij een schertsfiguur of een moordenaar? Of allebei? Eliogabalo moet het hebben van zijn kostuum en zijn zang, acterend is hij ‘out of sorts’. Fagioli zette in elk geval zingend een mooie titelheld neer en dat was op zich voldoende in deze ruime vocale bezetting: hij hoefde het geheel niet in zijn eentje te dragen.

De Cappella Mediterranea onder leiding van Leonardo García Alarcón zorgde voor een uitstekende begeleiding. Het Koor van De Nationale Opera (ingestudeerd door Ching-Lien Wu) klonk als vanouds prachtig en de zes dansers wisten het geheel op aantrekkelijke wijze extra dynamiek te geven. Een mooie voorstelling, een aangename avond.

Ten slotte nog een opmerking voor potentiële geïnteresseerden die niet vertrouwd zijn met Cavalli’s muziek. Hij behoort tot de periode die wordt aangeduid met barok, maar dat betreft een periode die loopt van ongeveer 1600 tot 1750. Tussen Eliogabalo en Händels Ariodante zit een periode van zo’n zeventig jaar. In die periode was er wel degelijk sprake van de nodige ontwikkelingen. Verwacht dus geen eindeloze da capo-aria’s. Ter vergelijking: tussen Don Giovanni en de voltooiing van Tristan und Isolde zat ook ongeveer zeventig jaar en dat zijn verschillende muzikale werelden.

Eliogabalo is tot en met 26 oktober te zien in Nationale Opera & Ballet in Amsterdam. Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

door

Eliogabalo
Francesco Cavalli

Uitgevoerd door: Cappella Mediterranea en Koor van De Nationale Opera onder leiding van Leonardo García Alarcón.
Solisten: Franco Fagioli, Ed Lyon, Valer Sabadus, Nicole Cabell, Kristina Mkhitaryan, Matthew Newlin, Emiliano González Toro, Scott Conner en Mariana Flores.
Regie: Thomas Jolly.
Bezocht op 12 oktober 2017

33 reacties »

  • Hans van Verseveld zei:

    Stomvervelend werk en ook nog middelmatig uitgevoerd. Waarom wordt er door DNO zo risicovol geprogrammeerd met oude- en barokopera’s en durft DNO het risico met Catalani, Cilea, Ponchielli en Meyerbeer niet aan te gaan.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Omdat meneer Audi nu eenmaal van het ene repertoire wél en van het andere niet houdt, lijkt me.

  • Jan de Jong zei:

    Ik had deze productie al in Parijs gezien en vindt de enscenering tamelijk clichématig, hoewel er wel goede vondsten inzitten. Ik ben echter hogelijk verbaasd over de kritiek die Cavalli nu ten deel ten deel valt. Muzikaal heeft deze opera zeer veel te bieden, zowel in rijkdom aan melodieën als dramatiek.
    Als het gaat om de geschiedenis van de opera is Cavalli vele malen relevanter dan door sommigen aangehaalde 19de-eeuwse componisten, die men tamelijk eenvoudig weg kan denken uit de operageschiedenis.

    De kwaliteiten van Cavalli kwamen er donderdag in Amsterdam minder uit, dan ik mij herinner aan de Parijse voorstelling. Meerdere zangers stelden teleur, inclusief Franco Fagioli. Desalniettemin heb ik mij in het geheel niet verveeld.

    Groot probleem is wel dat het Muziektheater in deze vorm gebruikt niet geschikt is voor dergelijke producties. Men had deze productie beter in de Stadsschouwburg kunnen programmeren.

  • Stefan Caprasse zei:

    Eliogabalo werd heel destijds ook eens in de Munt gegeven. Het is ook niet echt mijn lievelingsgenre (eerder saaie muziek…), maar voor zover ik het me kan herinneren was de enscenering wel te doen.

    Even ook opmerken dat van dezelfde Cavalli ook La Calisto gegeven werd en dat was echt een prachtige produktie (trouwens +- een ‘klassieker’ geworden – bestaat trouwens op DVD), toegegeven ook grotendeels door de enscenering van Wernicke…

  • Olivier Keegel zei:

    “Het Koor van De Nationale Opera (ingestudeerd door Ching-Lien Wu) klonk als vanouds prachtig.”

    Nou nee, dat was eigenlijk een unicum op deze avond: het koor klonk nu eens in het geheel niet prachtig. Toch ook wel eens aardig, voor de verandering?

    Ik schreef in Opera Gazet nog heel mild “Het Koor van De Nationale Opera leek zich in dit repertoire ook niet 100% happy te voelen.”

    Peter v.d. Lint pakt in Trouw wat steviger uit: “Dat stijlloze werkte zelfs door in de kleine bijdragen van het Koor van De Nationale Opera, grote stemmen die zich hoorbaar moeilijk in de barokmal lieten persen. Het klonk bepaald lelijk.”

  • Anna Minis zei:

    De recensie van Peter van der Lint heb ik niet gelezen, maar ik denk dat hij de stemmen voor barokmuziek te groot vond. Ik maakte op Basia con Fuoco de opmerking dat het orkest wat harder had mogen spelen, maar je kunt natuurlijk ook zeggen dat de zangers wat zachter hadden mogen zingen.
    Wat ik mij afvraag: hadden zangers in de Baroktijd geen grote stemmen? zijn wij niet teveel gewend aan zangers met kleine stemmen in barokmuziek? Maar goed, ik ben geen musicoloog en kan er geen zinnig woord over zeggen. Ik kan alleen voor mijzelf constateren dat ik ook in barokmuziek graag een volbloed stem hoor. Mijn favoriete zanger voor Monteverdi is Villazon.

    Heer Keegel: het is waar dat de Praetoriaanse Wacht wat hard en zelfs ruw klonk. Maar ja, dat waren Romeinse soldaten, en in die late Oudheid zaten er ook flink wat Germanen tussen. Stoere kerels die zich niet bezig hielden met zoetvloeiend gezang.
    De Senatrices zongen imo. beschaafd genoeg.

  • Rudolph Duppen zei:

    Ik bezocht de voorstelling van gisterenavond en inderdaad het koor klonk niet prachtig maar hard en geforceerd maar ik kan meegaan in de welwillende opvatting van Maria Minis dat het hier stoere mannen van de Praetoriaanse garde betrof die niet bekend stonden om hun subtiliteit en daarom ook niet echt mooi hoeven te zingen. De voorstelling als geheel kon me wel bekoren. Na een vrij lange en monotone eerste akte werd ik vanaf de tweede akte volledig geboeid. Er kwam meer leven in de brouwerij en de muziek werd dramatischer en afwisselender. Op de beste momenten kon Cavalli zich meten met Monteverdi.
    Over de bezetting van de stemmen in barokopera’s is al een discussie gaande sinds de opleving van de belangstelling voor de barokmuziek. Éen van de eerste plaatopnames van een Cavalli opera,La Calisto, weliswaar in een bewerking van Sir Raymond Leppard, was bezet met een aantal zangers met grote stemmen zoals Ileana Cotrubas, Ugo Trama en Dame Janet Baker maar ook met een countertenor. Door de vollere bezetting van het orkest in de bewerking van Raymond Leppard waren de stemmen ook beter ingebed in het geheel. Ook Harnoncourt was niet vies van grote stemmen in het barokrepertoire.In Eliogabalo hadden we hetzelfde probleem: het orkest was vrij authentiek bezet terwijl de rollen waren bezet door over het algemeen flinke stemmen waardoor er soms een wanverhouding was tussen orkest en zangers. Toen mijn oren er eenmaal aangewend waren stoorde het me niet meer. De bezetting was redelijk tot goed behalve Valer Sabadus die een onmachtig geluid produceerde. Franco Fagioli had ik nog nooit live gehoord. Zijn stem is niet echt zoetgevooisd maar zeer geschikt voor deze rol. Zijn grote scene in derde akte was indrukwekkend.De regie en de enscenering konden me zeer bekoren en de belichting was fantastisch. Anna Minis vroeg zich af of er in de baroktijd geen grote stemmen waren. Sinds de uitvinding van het crescendo en de maximalisering van de orkestmiddelen in de 19de eeuw (Berlioz, Liszt, Wagner, Mahler, Bruckner en Strauss) is het geluidsvolume aanzienlijk toegenomen en zijn de zangers harder gaan zingen. Deel 4 van de 6 delen van The Oxford History of Western Music van Richard Taruskin zegt hier veel interessants over.

  • Rudolph Duppen zei:

    Bij de maximaliserig van de orkestmiddelen ben ik Beethoven vergeten.

  • Anna Minis zei:

    Dank voor uw toelichting, mijnheer Duppen. Misschien moet ik die delen 4 en 6 eens opslaan. Het is een interessante kwestie. Men is dus harder gaan zingen, maar waren er in de barok dan geen stemmen die van nature groot waren? Enfin, ik dwaal af.
    (mijn naam is nog steeds Anna, maar Maria mag ook. Tenslotte heet ik naar goed Sittards gebruik Anna Maria Josephine Rosa).

  • Rudolph Duppen zei:

    Beste Anna, We zullen het nooit met zekerheid weten maar erover speculeren is erg leuk.Richard Taruskin heeft het trouwens niet specifiek over zangers en hun volume.

  • Maarten-Jan Dongelmans zei:

    @Anna Maria en Rudolph: ja, hadden we maar geluidsopnamen uit de zeventiende en achttiende eeuw … Hoe vreemd het misschien ook overkomt: de opkomst van de burgerij na 1750 heeft het harder zingen eveneens bevorderd. Het opbloeien van het concertleven buiten de paleizen van de adel noopte architecten tot het bouwen van steeds grotere zalen en theaters. De kamermuzikale toon kwam daardoor danig in het gedrang.

  • Stefan Caprasse zei:

    De ontwikkeling van de opera (en in dit geval het volume van zingen)van ‘kamermuziek’ tot bv Verdi en Wagner (die, togegeven, vandaag vaak ‘zwaarder’ uitgevoerd-en gezongen-wordt dan oorspronkelijk bedoeld), is dus rechtstreeks verbonden met de sociale evolutie, dwz met de democratisering van de cultuur?

  • Olivier Keegel zei:

    “Stoere kerels die zich niet bezig hielden met zoetvloeiend gezang.” Ik denk dat maar heel weinig historische figuren die in opera’s worden gerepresenteerd zich bezighielden met enige vorm van al dan niet zoetvloeiend gezang.

  • Stefan Caprasse zei:

    …en parallel daarmee met het toen nog ontbreken van electronische stemversterkingen…

  • Maarten-Jan Dongelmans zei:

    Klopt, grotere ruimten met zeker in de negentiende eeuw ook meer geroezemoes vroegen grotere stemmen en grotere orkesten.

  • Anna Minis zei:

    Heer Keegel: Nee, dat doen ze niet…ze uiten zich al zingend. Daarom vinden sommige mensen opera dan ook belachelijk. Zingen is hun natuurlijk element.
    Van de Praetoriaanse Garde die zich al zingend uit, kan men verwachten dat het bij zulke stoere mannen wat ruw uitvalt. Die soldaten hielden zich niet bezig met zoetvloeiend, of barok, of niet te hard zingen. De koorzangers hadden zich waarschijnlijk goed ingeleefd.

  • c.horsmeier zei:

    heb de voorstelling van maandag gezien .ik vond het vreselijk wat saai zeg.
    Had ik liever weer eens LOrmindo gezien wat was dat toen eenn leuke en mooie voorstelling ofkom weer eenn met Handel s Rodelinda.
    Dit voegt niets toe zonde v an alle moeite en het geld.
    Jammer.
    Ook zo slecht bezocht.
    Erg jammer zeg er verder niets over.

  • stefan caprasse zei:

    Natuurlijk zijn de meeste personnages die operakoren bevolken geen koorknapen. In de ‘latere’ opera, (waarbij Verdi een prototype is wat betreft voortreffelijke koorbehandeling) worden de verschillen heel goed in de muziek weergegeven: bv de Hunnen in Atilla zingen woeste liederen, de huurmoordenaars in Macbeth zingen mysterieus dreigend & de priesters uit Aida zingen met een robotachtige onverbiddelijkheid (meestal op hun thema).

    In de barokmuziek echter is die differenciatie veel minder, zodat iedereen, priester of barbaar dreigen dezelfde ‘zoetgevooisde liederen’ te zingen. Moet men dan een verschil maken door de interpretatie? Misschien wel, zolang men niet overdrijft of in slecht zingen vervalt.

  • Anna Minis zei:

    Beste mijnheer Caprasse, in dit geval werd het koor verweten dat het te hard zong, niet in stijl in ieder geval. Naar mijn mening zong het koor wel wat ruw en hard, maar ik vond het niet echt storend omdat het hier om stoere soldaten ging. Het zal wel geen bewuste interpretatie geweest zijn.
    Slecht zingen is natuurlijk nooit goed, maar zover ging het niet. Slechte zangers komen niet in het koor van DNO!

  • Stefan Caprasse zei:

    Beweer ik ook (zeker) niet. Mijn laatste zin was in het algemeen bedoeld.
    Ik was er niet bij en kan in dit specifieke geval dus niet oordelen.
    Voor dit soort werken, wat er -binnen het genre- ook de kwaliteiten van zijn, kom ik niet speciaal vanuit Belgie naar Amsterdam.

    Binnen het barokgenre hou ik overigens wel redelijk van Monteverdi en Purcell…

  • Pieter Bierma zei:

    Vond dit een van de slechtste producties die ik bij de DNO gezien heb.
    Gesuggereerd weer dat de productie spectaculair zou zijn. Nee dus
    Zoals aangegeven was er een wanverhouding tussen de luide stemmen en het timide orkest.
    Wat echter het belangrijkste voor mij was de volstrekte ongeloof waardigheid van Eliogabalo.
    Dat hij achter de vrouwen aanzat ging mijn voorstellingsvermogen te boven.

  • Olivier Keegel zei:

    Uiteraard worden rollen en koorpartijen geïnterpreteerd. Daar hoeven wij ons Latijn niet in te steken. Het gaat echter om het principiële onderscheid tussen historische figuren (indien aanwezig) en de zangers die hen uitbeelden. Dat de Pretoriaanse Garde bestond uit “stoere kerels die zich niet bezig hielden met zoetvloeiend gezang” impliceert op zijn minst dat er historische figuren waren (Alexander de Grote? Cleopatra? Robert Devereux? allen opgevoerd in 1 of meer opera’s) die wél geïnteresseerd waren in “zoetvloeiend gezang”. Ik bedoel maar te zeggen: de mate van zang-geïnteresseerdheid van onze historische helden is geen criterium voor de uitvoering door interpretatoren. Ik verwijs ter verduidelijking naar het bekende voorbeeld van een boek over verveling dat zelf niet vervelend hoeft te zijn.

    Overigens, ik heb nooit geschreven dat men “te hard” zong, ik schreef, aimabel en beschroomd als ik nu eenmaal ben, “Het Koor van De Nationale Opera leek zich in dit repertoire ook niet 100% happy te voelen.” Als ik het zou moeten preciseren: schreeuwerig. Het was Peter v.d. Lint die schreef: “Dat stijlloze werkte zelfs door in de kleine bijdragen van het Koor van De Nationale Opera, grote stemmen die zich hoorbaar moeilijk in de barokmal lieten persen. Het klonk bepaald lelijk.”

    “Het klonk bepaald lelijk.” Dat ben ik eigenlijk wel met hem eens. Onafhankelijk van het zoetvloeiende gezang waar de Pretoriaanse Garde zich in de 3e eeuw n.C. al dan niet (niet!) mee bezighield.

  • Anna Minis zei:

    Ik bedoelde alleen maar te zeggen, heer Keegel, dat het niet zo vreemd is dat het wat ruw kan klinken als de soldaten van de Praetoriaanse garde zich al zingend uiten. Waarom maakt u daar zoveel woorden aan vuil? Verschil tussen de zanger en de (historische) figuur die hij uitbeeldt? Kom nou! Als een zanger een ruige soldaat voor moet stellen, valt hij op dat moment samen met die soldaat. Dat heet interpretatie. Inlevingsvermogen. Misschien waren de soldaten in deze opera wat te hard bezig voor de muziek van Cavalli. Maar ja, ik ben welwillend van aard. Wat mij betreft lag het aan hun inlevingsvermogen.
    En jawel, andere al dan niet historische figuren zingen al gelang naar hun aard en stemming zoetvloeiend, fel, hard, zacht, enz. enz zoals de componist het van hen verlangt.

    Het is wel zo dat sommige historische figuren in de opera verrassend anders uit de verf komen dan in hun eigen tijd, maar het voert wat te ver om daar ook nog van alles aan op te hangen.

    U heeft zich inderdaad vaag uitgedrukt..ik heb u woorden in de mond gelegd. Mea culpa! excuseer!
    Overigens vond ik te hard, maar niet lelijk.

  • Anna Minis zei:

    Al naar gelang van, bedoelde ik..voordat u daar ook nog over valt!

  • Olivier Keegel zei:

    In “stoere kerels die zich niet bezig hielden met zoetvloeiend gezang” veronderstelt u dat de Pretoriaanse zich destijds, 3e eeuw, wel of niet bezighielden met gezang.

    Nu heeft u het over “de soldaten van de Praetoriaanse garde die zich al zingend uiten”; dan heeft u het over de 21e-eeuwse interpretatoren, de zangers van het koor.

    U is op de goede weg.

  • Anna Minis zei:

    Fijn om te horen, en dat nog wel van uw kant, heer Keegel!

    die Praetorianen in de opera zijn natuurlijk wel gebaseerd op die uit de Oudheid. Weliswaar komt opera vaak niet overeen met historische waarheid (voor zover bekend), maar die vlieger gaat voor deze Praetorianen niet op.

    Leuk om weer eens met u gekeuveld te hebben, heer Keegel. Ik hoop dat het genoegen wederzijds was. Maar aan alles komt een eind. Anders vervelen we de anderen op dit forum teveel.
    Volgende keer hap ik niet meer toe, dan weet u dat alvast!

  • stefan caprasse zei:

    Romeinse soldaten zongen soms wel degelijk. Het is bv bekend dat het gebruikelijk was dat de soldaten tijdens triomfoptochten schunnige liedjes zongen over hun generaal.

    Zal ook wel niet ‘zoetvloeiend’ geweest zijn…

  • Anna Minis zei:

    Mooie aanvulling, mijnheer Caprasse!
    ik heb overigens niet beweerd dat ze nooit zongen.

  • Gert-Jan zei:

    Vandaag de matineevoorstelling bezocht. Na de vele negatieve berichten hield ik mijn hart vast, maar blijkbaar is veel inmiddels ten goede gekeerd. De zangers waren goed tot uitstekend bij stem. Het decor en de regie vond ik een verademing in vergelijking met de overvolle producties die soms bij DNO te zien zijn. Het orkest speelde prima, wat meer pit en Schwung hadden van mij wel gemogen. De opera zelf is waarschijnlijk niet Cavalli’s grootste meesterwerk, daar verandert ook deze productie niets aan, weinig melodieën die je bij blijven. Het zeer aandachtig luisterende publiek was aan het eind oprecht enthousiast.

  • Maria zei:

    Ook ik was bij de matinee. Ik ben enthousiast over de enscenering. Erg mooi om te zien. Maar ik geef toe, op het tweede balkon aan de zijkant waren er geen lichten die in je ogen schenen, en ik kan mij voorstellen dat het niet fijn is als je wél door zo’n straal getroffen wordt.
    De muziek is een beetje aan de tamme kant, maar aangenaam genoeg. Er werd behoorlijk tot goed gezongen en gemusiceerd. Ik had er een beetje hard hoofd in, na het lezen van de recensies en de reacties hierboven, maar ik had een mooie middag die veel sneller voorbij ging dan ik had verwacht.
    Ook de inleiding is de moeite waard. Wie nog gaat: ga vooral even luisteren. Een interessant college over een wel heel merkwaardige keizer.

  • Jan de Jong zei:

    Voor wie niet in de gelegenheid is de inleiding in Amsterdam te beluisteren. Hij is ook te vinden op de website van de Nationale Opera.
    http://www.operaballet.nl/nl/opera/2017-2018/voorstelling/eliogabalo
    Ik heb de opera nog niet gezien in de programmering van Radio4, maar hij schijnt 4 november uitgezonden te worden.

    Een video van de Parijse versie is te vinden via:
    https://www.youtube.com/watch?v=yQZUkzdgHSM

    Overigens heb ik besloten nog een tweede keer te gaan. Van verschillende kanten begreep ik dat latere voorstellingen al veel beter uit de verf kwamen dan de première.

  • Jan de Jong zei:

    Vanavond naar de dernière geweest. Een driekwart volle en zeer enthousiaste zaal. De voorstelling was duidelijk gegroeid sinds de première. Er werd vloeiender en meer naturel geacteerd en met name Valer Sabadus zong veel beter, al blijft het Muziektheater te groot voor zijn vrij kleine stem. Maar dat geldt ook voor Fagioli.
    Al met al een productie waar ik vooral goede herinneringen aan zal bewaren.

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.