Home » Achtergrond, Headline

Serie Muzen: Maarten Koningsberger

8 augustus 2011 1 reactie

In de portrettengalerij Muzen vertellen Nederlandse operazangers hun verhaal. Deze aflevering: Maarten Koningsberger (1955). In de vorm van een drieluik ontvouwt zich zijn wereld van inspiratie en operaproducties. Over auditeren, repetities en stembouw.

(Foto: www.maartenkoningsberger.com)

Tijdens een hoosbui buiten tikt binnen de Friese wandklok onverstoorbaar door. Ondanks dat het voorwerp niet erg modieus is – met een gehaakt kleedje eroverheen – is Maarten Koningsberger gehecht geraakt aan het troostrijke getik. Het mechaniek wordt alleen stopgezet als hij thuis repeteert. Een strenge metronoom van 60 tikken per minuut bij elk muziekstuk, dat voert te ver.

De kasten van Koningsberger puilen uit van de partituren. Even zoveel muziekstukken als hij kent, heeft hij verhalen te vertellen. De bariton, in Nederland veelal bekend om zijn sprekende liedvertolkingen, is een echte rasverteller. Zijn warme stem kent een ondertoon van plezier dat bij elk verhaal onwillekeurig even de kop opsteekt. Hij vertelt over inspiratie door musici, de leukste operarollen en de mooiste muzikale frase om nooit te vergeten.

Eerste luik: eerste liefde

,,Ik kreeg in Beetsterzwaag pianoles van Joop Valk. Hij en zijn vrouw leidden mij naar een buitengewone wereld van muziek. Ze organiseerden van alles: een cantorij, een big band, huisconcerten. Zo iemand was ook Ruurd Kooistra, de directeur van de muziekschool in Drachten, met zijn muzikantengezin. Door hem debuteerde ik als twaalfjarige jongenssopraan in mijn eerste opera. Ik was Cham, de zoon van Noach in Benjamin Brittens Noye’s fludde. Alle beesten worden ook door kinderen gezongen. Heel Drachten werkte mee aan die productie.”

Geïnspireerd vertrok Koningsberger later naar Utrecht voor een studie piano. Zang zag hij slechts als een bijvak, hoewel hij er snel achterkwam dat het hem gemakkelijk afging. ,,Veel makkelijker dan piano. Ik zat in de klas met Rian de Waal. Hij kon met die enorme handen van hem een stuk van blad spelen waar ik maanden op moest studeren. Tja, hij begon met vijf jaar, ik met tien. Zo’n achterstand is moeilijk in te halen als instrumentalist.”

Koningsberger woonde in een studentenhuis met de musicoloog Charles Fabius, die hem Callas en Caballé liet horen. ,,Het opende mijn oren. Dit was helemaal geen krijsen en gillen. Het was een kunstige uitvergroting van de dingen waar wij allen tegenaan lopen in het leven.” De bariton studeerde vervolgens niet meer af in piano maar in zang, en verhuisde naar Parijs voor een studie aan de Ecole de l’Opéra de Paris.

,,Ik droomde van een internationale zangcarrière, welke student doet dat niet? Maar ik mis toch bepaalde persoonlijkheidskenmerken. Ik werk niet met ellebogen en ik ben bepaald een slechte auditant. Daar stond ik, in de coulissen van het Théâtre des Champs Elysées, samengeperst met complete Franse families te luisteren naar de 200 andere auditanten. Enorme stemmen. Ik dacht dat ik nooit een kans maakte.”

,,Toen het podium op. Ver weg in de zaal stond een tafel en een schemerlamp met daarachter de toelatingscommissie. Ik geloof dat ik één pagina van een scène van Pelléas had gezongen toen de commissie het belletje rinkelde. ‘Merci!’ Ik kon gaan. Ik keek al niet eens op de resultatenlijst, maar ’s avonds hoorde ik dat ik daarop stond, voor de finale! De volgende dag zong ik drie pagina’s van weer hetzelfde stuk tot het belletje ging. Ik zat bij de laatste vier en mocht door.”

Tweede luik: de gedroomde rol

,,Vroeger was Pelléas mijn favoriet. Maar die twee hoge a’s zijn mijn vijand geworden. Graag had ik ooit Billy Budd gezongen, of Peter Grimes. Britten schreef echte theatermuziek. Of de Graaf in Le Nozze: een groot scala aan emoties en alle mogelijke prachtmuziek. Maar ja, je wordt toch ouder. Mocht ik ooit als mollige mezzo ter wereld komen, dan wil ik Dalila zingen. Of Lulu. Of de Marschallin. Manon? Het leven is te kort!”

Koningsberger in Tancredi bij De Nederlandse Opera (foto: www.maartenkoningsberger.com).

De laatste productie die Koningsberger had gepland was Platée bij De Nederlandse Opera (DNO). Maar hij brak zijn kaak in de derde repetitieweek door een fietsongeluk. Gedurende zes weken zaten zijn kiezen op elkaar gebonden. ,,Ja, dan ben je wel bang. Wat als je niet goed herstelt en je nooit meer kan zingen?”

Toch giert Koningsberger van het lachen als hij voordoet hoe je praat en eet via een rietje, de kaken stram op elkaar. ,,Als er pulp in de sju zat, draafde ik weer naar de keuken om de boel uit te spoelen. Ik ben vijf kilo afgevallen.”

Eerder in het seizoen zong hij Paris in Roméo et Juliette in de regie van Olivier Py, ook bij DNO. ,,Het was een heerlijk team: goede zangers, Marc Minkowski en de regisseur was ook aardig.” Het regieconcept was niet Koningsbergers favoriet. Omdat Romeo en Julia een onmogelijke liefde hebben, moest alles zwart zijn. ,,Zwart! O ja, en het speelde ook nog op de puinhopen van Sarajevo! Nou ja! We speelden oorlog, dus alles met pistolen en andere wapens. Ik zat tijdens een repetitie te kijken in de zaal, en toen zag ik in de boventiteling de vertaling ‘zwaard’ staan. Waarom vertalen ze dat dan niet.”

Koningsberger houdt van het repetitieproces. ,,Een fantastisch leerproces, met zoveel lagen die aandacht nodig hebben. Het gemiddelde publiek overschat hoe de zangers tijdens de concerten bezig zijn met pure muzikaliteit of emotionaliteit.” Het kostuum, het decor, waar kom je op, hoe fors zingt het koor. Hoe krijg je de balans met het orkest, ook als je achter op het podium staat. Sta je wel goed in het licht of een meter ernaast.

,,En dan zing je soms de meest complexe muziek die echt niet altijd automatisch is. De vierde akte in Pelléas et Mélisande is muzikaal en emotioneel enorm complex. Maar je moet blijven tellen, anders lig je eruit. Je kunt je niet verliezen in ‘voelen’. Tegelijk schep je voor het publiek de illusie dat dat wel zo is. Ik zong een keer een liefdesduet met een sopraan die steeds met één oog loenste naar de tv-schermen met de dirigent. Het voelde als een blok beton in mijn armen. Maar het publiek ziet dat niet.”

Derde luik: in het valies

,,Het verismo is de operavorm die me nu nog uit de val van beroepsdeformatie weghoudt. Dan kan ik kippenvel of tranen ervaren, de emotie is zó groot! Mijn favoriet is Aida met Caballé, Domingo en Muti. Ik vond het trouwens eerst een rotstuk, met die stomvervelende mars. Ook de mooiste uitvoering van La Bohème met Freni en Pavarotti blijf ik luisteren. Karajan is daar zo zijn zangers aan het dienen. Maar mocht ik op een onbewoond eiland terechtkomen met één cd, dan neem ik het liefst Schuberts strijkkwintet in C mee.”

(Foto: www.maartenkoningsberger.com)

Koningsberger gaat zo vaak mogelijk naar producties van DNO kijken. ,,Ik vind ons operahuis fantastisch. Kritisch ben ik meestal op de mise-en-scène. Wat dat betreft is de cultuur van dit ogenblik niet erg positief, waarbij de zanger zich voegt naar de regisseur, de kostuumontwerper en de lichttechnicus. Wie staat er op het affiche? De assistent-belichter! Wie koopt er nu een kaartje om een belichter!”

Maar ook dirigenten moeten het ontgelden. Koningsberger wordt nog kwaad bij de herinnering aan een concert met Thomas Hampson, die tot het uiterste werd gedreven door Gergiev. “De man zong met enorme kabels in z’n nek. Dim toch dat orkest!”

Koningsberger heeft een stevige mening over wat gezond zingen is. Met een levenslange ervaring als zanger en zangdocent ziet hij grote kwaliteitsverschillen. ,,In Nederland zijn eigenlijk te veel conservatoria en te veel docenten die niet weten hoe ze een instrument, een stem, moeten opbouwen. Het is wat anders dan als je een viool of een pauk aanschaft. Met een stem moet je voorzichtig omspringen.”

Zelf zingt hij in december 2012 een reprise van L’Opera Seria van Florian Gassmann bij de Nationale Reisopera – hun laatste productie. Het is een opera in een opera, en een humoristische ook, want in de opera die op het toneel tot stand moet komen gaat werkelijk alles mis. ,,Heel leuk, je krijgt niet vaak de kans een grappige opera te doen. Nederland is er niet goed in. Platée werd gemengd ontvangen omdat niet-Britten eigenlijk niet weten hoe ze tongue-in-cheek moeten spelen. Maar Gassmann vraagt veel fysieker humor. Ik kijk er erg naar uit.”

Ook op stapel staat een kameropera met het Combattimento Consort. Maar Koningsberger zal de komende tijd vooral veel liederen zingen. Het liefst krijgt hij bij een zaal een carte blanche om een eigen programma te creëren. Of misschien duikt hij wel de archieven in om oude manuscripten van Purcell te onderzoeken. Maar zeer zeker zal hij weer half Europa doorreizen om de meest getalenteerde jonge zangers te coachen.

Zie voor meer informatie: www.maartenkoningsberger.com.

door

1 reactie »

  • Olga Feenstra zei:

    In de jaren ’70 heb ik met veel plezier vioolles van Ruurd Kooistra gehad en ik ben benieuwd hoe het met hem gaat. Op internet kon ik geen beschrijving van hem vinden, alleen zijdelings genoemd: zijn dochter heeft
    Ook les van hem gehad. Kunt u mij iets wijzer maken.?

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.