Les Noces met hip hop dance
In het Muziekgebouw aan ’t IJ voerde Cappella Amsterdam op 21 januari samen met het New European Ensemble, en met dansers Igor Stravinsky’s Le Noces uit als eerste van een serie voorstellingen die loopt tot en met 1 februari. Neil van der Linden doet verslag.

Leonard Bernstein had Strawinsky’s Les Noces even hoog zitten als de Sacre en Petroesjka, zei hij tijdens zijn befaamde Harvard lezingen uit 1973 Vanwege de bezetting – flink koor, vier solisten, vier piano’s en slagwerk – is het werk evenwel in populariteit altijd achtergebleven bij die andere twee werken uit de “Russische” periode van de componist. Misschien droeg hieraan bij dat Les Noces (eerste versie 1917, première 1923) muzikaal nog flink ‘rauwer’ is dan de eerdere twee werken (uit resp. 1913 en 1911); meteen al in de dissonanten waarmee instrumentalisten en de solo-sopraan het werk openen valt Les Noces tamelijk confronterend met de deur in huis.
Cimbalons
Aanvankelijk had de componist het zichzelf nog moeilijker gemaakt op weg naar mogelijke populariteit van het werk door twee nog te bouwen cimbaloms met dubbel-klavier voor te schrijven, samen met een harmonium en een pianola, naast het slagwerk. Fabrikant Pleyel had die cimbaloms echter niet op tijd af, en bovendien verwachtte de componist synchronisatie-problemen tussen al deze instrumenten, en liet in 1919 de instrumentatie van de laatste twee delen onvoltooid achter.
In 2007 instrumenteerde Theo Verbey de laatste twee delen. Het is die versie die Cappella Amsterdam nu uitvoerde – samen met het New European Ensemble, en met dansers. De delen lijken naadloos in elkaar over te gaan. Wel lijkt het geluidsdecor naarmate het stuk vordert wat compacter te worden.
Lugubere bruiloft
Het verhaal van Les Noces, “De Bruiloft”, gaat over een dorpsbruiloft. Maar de sfeer van het werk is niet minder luguber dan dat van het bloedige offerritueel uit de Sacre. Je gaat bedenken dat bruiloften juist ook heel gruwelijk zijn voor de bruidsparen, die elkaar misschien nauwelijks kenden, terwijl beide huwelijkspartners na een dag opgedirkt te zijn, en één van de twee, vaak de man, onderhand misschien wel stomdronken was, aansluitend geacht werden de echtelijke daad te volbrengen. Vandaar die vaak schrille klanken, zoals aan het begin.
In de uitvoering van het eerste deel werd een heel klein beetje van Strawinsky’s vrees bewaarheid, hier en daar tegen het eind van dat deel lukte het niet zang, toetseninstrumenten en slagwerk helemaal synchroon te houden. Maar dat was snel voorbij en gingen zangers en instrumentalisten op in een de overdonderende bijna popachtige ‘beat’. Misschien extra benadrukt door Verbey? Overigens is het niet erg wat te merken van eigen inbreng van bewerkende componisten. Dat vinden we ook niet erg bij het einde van Moessorgski’s Khovanchina, in de (sterk verschillende) versies van Rimsky-Korsakov en van Shostakovich, en van het einde van Turandot van onder meer Alfano en Berio.
Personages?
De solisten (Dārta Liepiņa sopraan, Ludmila Schwartzwalder mezzo-sopraan
Martin Logar tenor, Matija Bizjan bas) stonden tussen het koor opgesteld. Mooi gedaan. Want als er al sprake is van personages, bruid, bruidegom, moeder, vader, dan heeft Strawinsky die in de gekozen teksten niet uitdrukkelijk gekarakteriseerd, en er zo archetypen van gemaakt. De solisten mengden nu ook fraai met het koor, dat immers de hele dorpsgemeenschap representeert. Koor en instrumentalisten stonden links op het podium opgesteld.
De rechterhelft van het podium was ingeruimd het Zero Dance Theatre ensemble combineert, dat de urban stijl van breakdance combineert met klassiek ballet. Balletdansers zijn opgeleid in andere technieken dan acrobaten en die kunnen andere dingen dan breakdancers, maar de dansers nemen de verschillende technieken van elkaar over. Net als in het koor maken zich geregeld solisten los uit de groep, die bijvoorbeeld de bruid en de bruidegom zouden kunnen voorstellen, maar voegen zich daarna telkens weer tussen de groep. Zoals vaak ook bij dansuitvoeringen van de Sacre gebeurt; ik moet denken aan de Sacre-choreografie van Pina Bausch, maar dan met meer hiphop.

Les Noces culmineerde aldus allengs in een pandemonium van klanken dat niet onderdoet voor de wildste passages van een Sacre met alles erop en eraan (vol symfonisch orkest en vol ballet).
Elmer Schönberger merkt in het programmaboek op dat de laatste noten van Les Noces vervolgens parallel lopen met die van de Psalmensymfonie. Na al het prachtige geraas konden de serene slotakkoorden niet dramatischer naar voren komen. Die Psalmensymfonie was in het eerste deel van het programma te horen, in een versie voor zangkoor en piano vierhandig van Shostakovich. Temidden van dit wat soberdere instrumentale aandeel kwamen de kwaliteiten van Cappella Amsterdam al fraai naar voren, zoals in de herhaalde bijna zuchtend gezongen a capella Alleluia’s.

Voor de Psalmensymfonie zong het koor nog a capella het korte Otche Nash uit 1926, met de tekst van het Onze Vader in het Kerk-Slavisch. Verder stond er nog een aantal unieke instrumentale stukken op het programma, zoals een bewerking van een fragment uit Petroesjka voor pianola en de Chorale voor harmonium uit 1920, en de Circuspolka uit 1942 in bewerking voor piano.
Het programma is nog te zien op 24 januari in De Meervaart in Amsterdam, 26 januari Amara in Den Haag, 29 januari De Vereniging in Nijmegen, 30 januari in De Vest in Alkmaar en 1 februari in Chassé in Breda.
Verder kijken, luisteren en lezen