Tjalling Wijnstra: ‘Ik zoek wit licht.”
Sinds enkele jaren beperkt Opera Spanga zich niet meer tot het bekende zomerfestival in de weilanden rond Spanga, maar brengt het gezelschap van Corina van Eijk ook een winterproductie uit. Deze winter presenteert Opera Spang de nieuwe opera Mijn Engel, ik geloof je van componist Tjalling Wijnstra op een libretto van Irma Achten. De première is op 26 februari in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden.

De opera vertelt het bizarre verhaal van Irene, die leeft volgens het animistische principe. Flora en fauna zijn voor haar familieleden. In animistische samenlevingen heeft al wat leeft een ziel, is alles nauw met elkaar verbonden. Irene heeft een relatie met een beer en dat wordt niet geaccepteerd door haar omgeving. Daarbij is de opera ook een moordmysterie en natuurlijk een allegorie op onze samenleving. Tjalling Wijnstra is al jaren de vaste dirigent, en dit wordt zijn twee opera voor Opera Spanga, na zijn eerdere Madam Scrooge.
Tjalling Wijnstra: “ Ik vond deze thematiek, zowel in deze tijd, maar sowieso iets wat ook heel dicht bij mij staat. Het respect voor alles om je heen. Mensen, dieren, plantjes, alles. Uitgangspunt is dat de mens niet boven de natuur staat, dat alles één is en gelijkwaardig. Ik voel mij op geen enkele manier verheven boven de rest van de schepping. Volgens mij doe ik er ontzettend mijn best voor. Het zal niet altijd lukken, maar ik vind het zo belangrijk dat je elkaar, en dus alles respecteert. De thematiek, in verschillende lagen, is vooral respect en disrespect, dus haat en liefde. En het buitensysteemse, die Irene, een van de hoofdfiguren, die een relatie krijgt met een beer, daar vindt men in de omgeving wel wat van, daar moet je wel even aan wennen, maar anderen wijzen dat pertinent af. Het is natuurlijk gechargeerd. Je schokt je omgeving met zoiets. Het is natuurlijk ook echt fictief, het is onzin. Maar het gaat wel over het feit dat je buiten jouw menselijke denkwijze van ‘wij zijn superieure wezens’ moet denken.’

Het is toch wel een heel raar gegeven. Het gaat toch wel heel ver om een vrouw een relatie met een beer te laten hebben.
TW:” Op een gegeven moment zingt de beer een lied. Dat is een van de moeilijkste stukken geweest om te schrijven. Toen dacht ik: ‘Ik kan toch niet weten hoe een dier denkt.’ En zingen is sowieso natuurlijk flauwekul, maar hoe denkt zo’n beest? Kan zo’n dier verdriet hebben? Kan die rouwen? Kan die liefdesverdriet hebben? Vast wel, alleen dat gaat voor zover de wetenschap nu daarover na heeft kunnen denken, toch heel erg op het moment. Wij mensen kunnen jarenlang rouwen om gestorvenen, om relaties. Je kunt daar jarenlang ellende van hebben. Ik denk dat de meeste dieren dat niet hebben. Dat die in het moment heel emotioneel kunnen zijn, boos, verdrietig, en dan, maar een paar dagen later, is het dan ook weer weg bij de meeste dieren.
Die beer-aria is eigenlijk een duet. En in dat duet heb ik geprobeerd, en dat is ook wel gelukt, om te laten horen dat die beer wel droevig is, maar hij is ook heel rustig. De mensen eromheen, die zijn boos.
De beer concludeert op een gegeven moment, ‘ik kan niks met die mensen. Ze laten me niet toe.’ En hij concludeert dan, zingend; “ik hoort hier gewoon niet bij.’ En dat is eigenlijk heel rustig. Dat zijn geen heftige emoties. Maar zijn geliefde, Irene, die is in alle staten. Die raakt helemaal in paniek. Dat de beer eigenlijk een soort van acceptatie ervaart, wil ik niet zeggen. Wel een gelatenheid. Het is wat het is. Het heeft geen geschiedenis en het heeft geen toekomst. En dat is wel mooi geworden. En dan pretendeer ik absoluut niet de gevoelens van een beer begrepen te hebben. “

Heb je die dan ook een eigen klankwereld meegegeven zeg maar à la Peter en de Wolf; dit dier klinkt zo en dat dier klinkt zo en de mens klinkt zo?
TW:” Ik heb het wel overwogen. Ik heb laatst een film gezien. Het was een animatiefilm en er kwam een hele grote beer in voor en die had een heel hoog stemmetje. Vond ik wel erg leuk. Omdat je dan ook weer vervreemdend werkt.”
Het is dus geen Baloe de beer uit Jungle Book geworden.
“Nee, nee, nee. Heb ik allemaal overwogen. Ik heb wel leidmotieven. Hij heeft een prachtige zin: “In ons groeit een boom die zijn water deelt met iedereen.” Dat is een heel waardige zin. En die melodie, die komt ook in de ouverture al voor, dat is het beermotief. Dus dat heb ik wel gedaan, maar daar is niks beerigs aan. De muziek is misschien vermenselijkt. Het dier, als hij op het toneel komt, gedraagt zich wel beerig. Hij is niet een mensbeer. Op een gegeven moment houdt hij van haar, ze houden elkaar vast en ze knuffelen elkaar. Hij is een mens met een berenpak aan, dat weet ik ook wel. Dat was ook het grote spanningsveld van het schrijven. Het gaat ook heel veel over wat die mensen allemaal van hem vinden. En wat dat met hun relaties doet. En het is ook een detective. Want Bertrand, de vader van Irene, wordt neergeschoten. We moeten dus uit zien te vinden wie dat heeft geflikt. Maar het is natuurlijk gewoon een allegorie. Het gaat echt, wat mij betreft, over respect voor al het leven om je heen. Dus alles is nu in die vorm van die beer gegoten, maar het kan ook tussen mensen zijn. Dit is wel vreemd en daardoor zetten we mensen aan tot nadenken.”

De opera is geschreven voor een klein ensemble; viool, cello, klarinet en accordeon. Een bijzondere keuze.
TW: “Op een gegeven moment wist ik dat we in die kerk terecht zouden komen en toen dacht ik wel: ’ Nou kijk Tjalling, nou moet het wel een beetje transparant zijn, anders worden we gek.’ Ik heb niet extreem bewust, maar wel gedacht, zeker in de wat vollere passages, dat je de lijnen in de gaten moet kunnen houden. Je kunt het in zo’n ruimte niet ongestraft dicht smeren. En weet je, die combinatie van strijkers en klarinet en accordeon, die werkt zo fantastisch. Het mengt zo mooi. En ik vind dat het ook wel in deze opera heel mooi past, de klanksfeer, de toch een tikje melancholieke klank van al die instrumenten, de melancholieke sleutel.”
En die van de componist erbij toch? Jij hebt ook iets melancholisch. Heb je zo langzamerhand een beeld van wat je kan omschrijven als de Tjalling Wijnstra signatuur?
TW: “Ja, ik denk het wel. Het hangt wel een beetje vanaf waar ik voor schrijf, wat er moet gemaakt worden. Maar ik ben toch wel een beetje 100 jaar te laat geboren, zeg maar. Ik ben een romanticus, qua klankbeeld zeker. En wat ik zoek, dat geldt zeker in deze opera, is eigenlijk een soort van wit licht in de muziek. Dus ik hoop ooit dat te kunnen schrijven. En er zitten ook hier een paar hele mooie momenten in. Stilte. Stilte die klinkt. Rust. Complete rust. Compleet wit licht. En dat lukt een paar keer. En dat is mooi. Want eigenlijk vind ik dat het mooiste. Pure eenvoud. Niks geen gedoe. Dat zoek ik eigenlijk. Bijna stilte. Mijn ego losknippen en dan kijken wat er overblijft. Dan wordt het stil. Dat zoek ik. Ik vind eigenlijk de stilte altijd het mooist. De rusten. In zo’n kerk heb je dat wel, dat je dus momenten hebt dat het geluid op een gegeven moment verdwijnt, oplost of het geluid begint vanuit niks. Dat kan zo intens stil zijn. En het einde is ook intens stil. Dat vind ik echt heel prachtig.

En er zit een hele hoop herrie in hoor. Maar die zoektocht naar de essentie, daar gaat het uiteindelijk om. Je moet iets met dat geluid doen. Maar eigenlijk zo belangeloos mogelijk. Dat is wat mijn doel is denk ik, voor de komende dertig jaar. Kijk, we hebben allemaal beelden van hoe moderne muziek moet zijn, of hoe het kan zijn. Er wordt nogal wat tegen elkaar opgeboden in nieuwe muziek, in nieuwe klank. Eigenlijk probeer ik daar langzamerhand los van te komen. Ik zie daar het nut niet van om iets te moeten. Om iets te moeten presteren, om mij te bewijzen, om te laten zien hoe goed ik ben. Dat lukt toch nooit. Maar om het zo puur, ja dat is het woord, puur mogelijk te houden. Het is toch een waarheid zoeken.”
Toch wil je ook waardering, neem ik aan.
TW:” Ik vind het wel fijn, ja. Ik heb nu met de zangers en de musici gewerkt en ze vinden het mooi en ze zingen het en spelen het echt met hun hele ziel en zaligheid. Ja, eigenlijk is dat het allermooiste. En dat het publiek het straks mooi vindt, dat zal ik fantastisch vinden, maar het is niet het belangrijkste. Want ik kan echt van alles vragen en iedereen is vol overtuiging en vol overgave daarmee aan het zoeken. Dat vind ik eigenlijk het grootste goed.”
Is het ook die romantiek, de achttiende-eeuwse romantiek, van het eenzijn met de natuur, het teruggaan naar het beekje, het grassprietje?
TW:” We wonen nu sinds twee jaar in mijn ouderlijk huis, met een prachtige tuin. Als kind was ik altijd al in die tuin en ik zit nu weer in die tuin. Er zijn echt stukken in in deze opera die ik ingefluisterd gekregen heb hier in de tuin. Er zitten zelfs de kippen van de buren in. Er zijn allerlei dingen waar ik me mee verbonden voel als ik in mijn tuin zit of in de natuur ben, in bredere zin. Die geven wel die schoonheid en die heb ik wel gebruikt, want dat vind ik pure schoonheid.”
Als je met je musici, zangers, instrumentalisten werkt, probeer je ze dit te vertellen of laat je het komen uit je noten?
TW:” Beide. Sommige dingen vertel ik. Die kippen bijvoorbeeld, want dat helpt. Maar ik probeer ook wel uit te leggen wat mijn bedoelingen zijn. En dat snappen ze ook. Dat voelen ze ook. Dat ga je ook horen. Gisteren zei Henk Post, die de belichting doet:“Ik hoor heel veel liefde voor muziek”. Ik dacht;’ ja, dat klopt dus.’
Maar stel nou dat een heel ander gezelschap, heel ergens anders, deze opera gaat opvoeren zonder dat je daarbij bent, kunnen zij uit jouw partituur halen wat jij mij nu verteld hebt?
TW:”Ja, misschien afgezien van die kippen.”
Maar kan je omschrijven wat ze dan ontdekken in die partituur en in die noten?
TW:” Schoonheid, puurheid. Dat is echt gelukt. Maar ook de conflicten tussen mensen en de gekke dingen. Er zit heel veel humor in. Corina heeft het natuurlijk behoorlijk uitgewerkt. Het zijn echt fantastische dingen. Je lacht je wild. Als je een opera van 85 minuten maakt, kan het niet dat het alleen maar die schoonheid is, dan is dat op een gegeven moment vervelend. Dus er moet een reden toe zijn om daarbij te komen. Dus op het moment dat het helemaal verstilt, gebeurt er iets waardoor je helemaal weer ondersteboven wordt gegooid en dat is natuurlijk theateraal ook belangrijk. Er moet een spanning zijn. En als er iets stil moet worden, moet het vanuit lawaai komen.

Ik vind het heel belangrijk, en dat merk nu ik nu ook al doende, dat het steeds meer het stuk van de uitvoerenden wordt. Ik kan het steeds meer loslaten. Ik moet het ook steeds meer loslaten. Dat is heel dankbaar werk als dat goed gaat. “
Mijn Engel, ik geloof je is te zien n de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden op:
26 februari | 20:15 uur
1 maart | 15:00 uur
5 maart | 20:15 uur*
6 maart | 20:15 uur*
7 maart | 20:15 uur*
8 maart | 15:00 uur
*Nog een beperkt aantal kaarten op 5, 6 en 7 maart.
Verder kijken, luisteren en lezen
Trailer van Mijn Engel, ik geloof je.
Klara Uleman zong ook in Madam Scrooge van Tjalling wijnstra.
In 2022 dirigeerde Tjalling Wijnstra After the Flood bij Opera Spanga.