FeaturedOperarecensie

Kamerkoor schildert en schittert in Händel

Ver voor filmregisseurs Cecil B. DeMille en Ridley Scott maakte Händel het bijbelboek Exodus al tot spektakel. Maar een kaskraker werd zijn oratorium Israel in Egypt niet. Laaiend enthousiasme was er zaterdag wel voor het Nederlands Kamerkoor, dat in het Amsterdamse Muziekgebouw majestueus door de notenzee trok.

Het Nederlands Kamerkoor schitterde in Händels Israel in Egypt. (© Wiebrig Krakau)
Het Nederlands Kamerkoor schitterde in Händels Israel in Egypt. (© Wiebrig Krakau)

Veel oratoria van Händel zijn verkapte opera’s dankzij hun spannende libretti, bevolkt door scherp getekende individuen. Dat aspect ontbreekt bij Israel in Egypt, waarin het koor (dubbel bezet) de hoofdrol opeist en de tekst slechts uit bijbelcitaten bestaat. Het publiek in 1739 verwachtte meer amusement en de première op 4 april werd een flop. Händel liet het eerste deel vervallen en voegde aria’s toe, maar na drie uitvoeringen wierp hij de handdoek in de ring.

Sabotage door een adellijke ‘opera party’ speelde hierbij mogelijk ook een rol. De uitvoering van 11 april, een vastenwoensdag waarop scenische producties verboden waren, ondervond concurrentie van een doelbewust concertant gebrachte tweederangsopera. Händel zat op zwart zaad en had de recettes dringend nodig. Overigens is het mogelijk dat de ‘plagen’ van dergelijke samenzweringen (en een recente beroerte) Händel inspireerden om het verhaal van de uittocht op muziek te zetten.

Decennia later verging het Israel in Egypt beter. Een herneming in 1784 ontlokte Haydn de uitroep: “He is the master of us all!” En in de negentiende eeuw werd het oratorium razend populair, juist vanwege de monumentale koren. Op internet circuleert een geluidsopname uit 1888 (!), waarin 4000 man één van de delen zingt, net herkenbaar tussen de ruis. Gezien het onderwerp kan een dergelijke megabezetting ‘authentiek’ worden genoemd…

Maar ook 32 leden van het Nederlands Kamerkoor wisten de lotgevallen van de Israëlieten aangrijpend te vertolken, samen met het Residentie Orkest onder vaste gastdirigent Richard Egarr. Het openingskoor zette gelijk de toon, met een rijke dynamiek in de beweging van zuchtende wanhoop naar hartstochtelijke smeekbede.

Händel toont zich niet blind voor het leed van de Egyptenaren. In ‘He smote all the first-born’ is onder de meedogenloos gescandeerde uitroepen ook radeloos verdriet hoorbaar. De glasheldere articulatie bracht zulke secundaire thema’s prachtig tot uitdrukking. Eenzelfde lichte toets liet na een venijnig ‘dashed them to pieces’ het woordje ‘stubble’ (kaf) fraai in de wind dwarrelen.

Meest kenmerkend zijn natuurlijk de massieve koren, waarin het Nederlands Kamerkoor van de diepste bassen tot de hoogste sopranen een warmbloedige grootsheid etaleerde. Na een virtuoos ‘He led them through the deep’ leken de zangers net als farao’s leger bijna te verdrinken in de orkestgolven, tot een triomferend ‘there was not one of them left’ de veilige overtocht signaleerde.

Richard Egarr. (© Patrick Harrison)
Richard Egarr. (© Patrick Harrison)

Ook het tweede deel zat vol toonschilderingen, met bijvoorbeeld een imposante vocale muur in ‘the floods stood upright as a heap’. Het oratorium puilt uit van zulke staaltjes vindingrijkheid, evenzeer in het orkest. Uiteraard zoemden de strijkers heerlijk in de vliegenplaag, maar meest opmerkelijk vond ik de vinnige accenten in de eerste druppels van de hagelbui.

Hoewel de warmere klank van authentieke instrumenten mijn voorkeur heeft, toonde het Residentie Orkest onder Richard Egarr een overtuigende barokstijl. Vol overgave zweepte de dirigent koor en orkest op, terwijl hij toch alle frasen voldoende liet ademen. Bij de afsluiting van de delen nam hij steeds zorgvuldig gas terug, zonder dat dit gekunsteld overkwam.

Mijn enige kanttekening geldt een gebrek aan huiver. Iets meer terughoudendheid had het obsessieve ritme van ‘The people shall hear’ beklemmender gemaakt, zoals ook de koorfrase ‘still as a stone’. In de perfecte akoestiek van het Muziekgebouw is een ultiem pianissimo immers mogelijk.

De meeste solisten, uit het koor naar voren stappend, hebben of hadden een professionele band met het Nederlands Kamerkoor. Countertenor Kaspar Kröner sloeg in zijn eerste aria de plank mis met een kwaakgeluid en groteske duikelingen in zijn natuurlijke register. Händels springerige strijkers zijn al voldoende suggestief! Gelukkig revancheerde hij zich met heerlijk zwevende hoge noten in zijn laatste solo.

Tenor William Knight heeft naast het uiterlijk ook de toon van een Britse kostschooljongen, iets te zoetsappig voor zijn woeste aria als achtervolgende vijand. Knights intelligente frasering in zijn moedertaal was daarentegen voorbeeldig.

De mild getimbreerde Jasper Schweppe en de meer ruige Gilad Nezer kregen de lachers op hun hand met het energieke basduet (of duel?) ‘The Lord is a man of war’. Toch maakt deze tekst het verband met de huidige vluchtelingenstromen, gesuggereerd door een video-installatie in de foyer, ietwat pijnlijk.

Ook bij het sopraanduet een boeiend contrast tussen Mónica Monteiro’s warme gloed en de meer doordringende klanken van Maria Valdmaa. Haar solo toonde dat Valdmaa’s lage register nog aan kracht kan winnen, maar als Miriam (toch even een echte rol) leidde ze met veel overtuiging het ontzagwekkende slotkoor in.

Een staande ovatie is in Nederland standaard, maar zelden zag ik een publiek zo als één man opveren. Egarr bleef tot het allerlaatst als leider van zijn beide muzikale ‘volken’ optreden, door zelfs de buigingen te willen coördineren…

Vorig artikel

Bruisende barok in Amore Siciliano

Volgend artikel

Hongaars festival focust op BartókPlus

De auteur

Martin Toet

Martin Toet