FeaturedOperarecensie

Westbroek meesterlijk in Sjostakovitsj-liederen

Onder leiding van Candida Thompson bracht het bekende Amsterdam Sinfonietta op 12 juni een divers concertprogramma in het Concertgebouw. Hoofdmoot vormde de veertiende symfonie van Dmitri Sjostakovitsj. Sopraan Eva-Maria Westbroek en bas Mikhail Petrenko blonken uit met deze dramatische liederen over de dood.

Eva-Maria Westboek. (© Fazil Berisha)

Voorafgaand aan Sjostakovitsj’ symfonie – in feite een liederencyclus – speelde Amsterdam Sinfonietta twee moderne, instrumentale werken. Het eerste werk was Cantus in Memoriam Benjamin Britten (1977) van de Estse componist Arvo Pärt. Pärt zag in Britten een geestverwant en hij bewonderde hem om zijn ‘zuiverheid’.

Cantus is geschreven in wat Pärt zelf noemt de ‘Tintinnabuli-stijl’, muziek met een enkel dominerend motief, maar waarbij ook allerlei melodielijnen door elkaar lopen. Amsterdam Sinfonietta, 22 strijkers sterk, bracht het werk staand, met een imposant geluid. Doorgaans klinkt deze muzikale elegie nogal uitgesponnen. Het strijkorkest koos voor een meer energieke uitvoering. Daarin fascineerden de donkere contrabassen en raakte je ontroerd bij het wegsterven van het laatste belgeluid.

Van Benjamin Britten voerde het ensemble vervolgens de Variations on a Theme of Frank Bridge (1937) uit. Deze compositie is een eerbetoon aan Brittens muziekdocent en componist Frank Bridge (1879-1941). Voor zijn elfdelige werk gebruikte Britten het werk Drie idyllen voor strijkkwartet (1906) van Bridges. In Variations heeft Britten daar allerlei muziekstijlen en genres in verwerkt.

De uitbundige variatie ‘Aria Italiana’ (Allegro brillante) zorgde woensdagavond voor wat consternatie in de niet volle grote zaal. Want dirigent Candida Thomson en ensemble speelden dit deel ongekend virtuoos; de speelvreugde spatte ervan af. Het gezelschap blonk ook uit in de zwaarmoedige ‘Funeral March’. De strijkers speelden zo intens dat het was alsof ze zelf de levenslijn wilden doorsnijden.

Geïsoleerd vanwege polio verbleef Sjostakovitsj maandenlang in het Kremlin-ziekenhuis. Daar las hij gedichten over het thema de dood van Lorca, Apollinaire, de Rus Küchelbecker en Rilke. Daar schreef hij ook de liederencyclus Symfonie nr. 14 voor strijkorkest, percussie en celesta. Dit werk was bedoeld als een protest tegen de dood. Niet de gewone dood – iedereen gaat – maar de gewelddadige dood door toedoen van de ‘barbaren’, waarmee hij het Russische regime bedoelde.

Mikhail Petrenko. (© Alexandra Bodrova)

De elf liederen over de dood werden door bas Mikhail Petrenko en sopraan Eva-Maria Westbroek fraai in het Russisch gezongen. De Russische taal zal voor menige bezoeker exotisch overkomen, wat maakt dat de veertiende symfonie eerder een ervaringsstuk wordt.

In het eerste lied ‘De Profundis’ maakten we kennis met het fraaie, zuivere stemgeluid van de Russische bas Petrenko. In expressie oogde hij in eerste instantie wat stijfjes, maar dat verdween later.

Over Westbroek is al veel goeds gezegd. Dit Russische repertoire is haar op het lijf geschreven. Serieus werk waar ze zich – als Wagnerzangeres met een groot sopraangeluid, een mooi timbre en dramatische expressie – geheel aan kan overgeven. Een prachtig voorbeeld is het lange lied ‘Lorelei’. Daarin hield Westbroek zich met demonische expressie staande in de krachtige muziek van stampende en beangstigende geluiden van contrabassen en buisklokken. Meesterlijk.

‘The Suicide’, waarin een vrouw verhaalt over drie grote lelies op een graf zonder kruis, zong Westbroek als een smeekbede. Haar woorden, geïllustreerd door het forse geluid van de celli, maakten haar doodsverlangen levensecht.

In ‘At the Sante Prison’ kroop Petrenko in de rol van de gevangene Guillaume. Hier zong hij heel naturel over Guillaumes eenzaamheid. Over het eindeloos rondjes lopen in zijn cel. Het sjokken in de gevangenis werd treffend geïllustreerd door de pizzicati van de contrabassen en celli. Ook hier was de beklemming voelbaar.

Na het meer melodieuze lied ‘Oh Delvig’, dat ook weer meeslepend werd gezongen door Petrenko, eindigde de liedcyclus met ‘The death of the poet’. Westbroek schotelde ons in dit schrijnende lied de dood van een dichter voor. Langzaam kroop de muziek onder je huid. Aan het slot zongen beide zangers in het majestueuze geluid van het orkest over de dood. De dood is onder ons; in het midden van ons leven. Applaus!

Vorig artikel

Wagnergenootschap stelt stipendiaten 2019 voor

Volgend artikel

Lucie Chartin: dé sopraan in Amadeus

De auteur

Rudolf Hunnik

Rudolf Hunnik

Rudolf Hunnik is cultuurjournalist, filmprogrammeur en trainer. Hij schrijft voor onder meer de Gooi- en Eemlander, HDC Media, Cultuurpers en Place de l’Opera.