Liefde vraagt moed bij Opera Spanga
Met ‘Mijn engel, ik geloof je’ presenteert Opera Spanga een locatie-opera die ogenschijnlijk begint als een licht absurdistische ‘whodunnit’, maar zich gaandeweg ontpopt tot een scherpzinnige studie naar uitsluiting, projectie en morele reflexen.

Componist Tjalling Wijnstra en librettist Irma Achten schreven eerder voor Spanga ‘Madam Scrooge’. Naast de grote zomeropera die Spanga nu al 37 jaar brengt in het plaatsje Spanga, zijn er soms in het najaar of het vroege voorjaar kleinschaliger projecten. De componist schreef voor een klein ensemble van viool, cello, (bas)-klarinet en accordeon. Het is een ingetogen en transparante opera geworden met opmerkelijke muzikaal-komische en soms filmische momenten. Dat de uitvoering plaatsvindt in de monumentale Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden geeft de muziek een extra lading. Schuld en geloof resoneren hier letterlijk mee in de ruimte.
Visuele wereld en thematische inzet
Het begint al bij het affiche. De art-nouveau-achtige afbeelding van een vrouw en een beer roept onmiskenbaar associaties op met Alphonse Mucha. Zo sterk zelfs dat je even denkt een onbekend werk van de kunstenaar te zien. Die esthetiek is geen ironische pastiche, maar een bewust gekozen vormentaal. De Jugendstil kenmerkt zich door haar nadruk op natuurverbondenheid, spiritualiteit en zintuiglijkheid en vormt precies het ideologische fundament van deze opera. Die esthetiek wordt consequent doorgetrokken in het fraaie decor en de kostuums van Pieter van Rooij. Alles is zorgvuldig ontworpen en sluit naadloos aan bij de suspensevolle, Engels aandoende detective-sfeer, maar alles gewoon in het Nederlands en prima verstaanbaar.

Voor Irene bestaan mens en dier niet hiërarchisch, maar relationeel. Zij leeft vanuit een animistisch wereldbeeld. Die term is niet meteen voor iedereen herkenbaar, maar het onderliggende idee spreekt veel mensen theoretisch aan. Mens, dier, flora en fauna vormen één samenhang. Je zou bijna denken dat mensen in dorpen als Spanga, Marum, Staphorst en Urk dichter bij zo’n wereldbeeld staan dan in stedelijke gebieden. Toch leven zogenoemde woke-gedachten, het containerbegrip waar animisme vaak onder wordt geschaard, veel in steden, waar de afstand tot natuur juist groter is.
“Waarom ging Irene zich nou met een beer verloven?” verzucht een bezoeker achteraf bij de jassen. “Ik snap het niet, ik had ook eerst het programmaboekje moeten lezen.” Het je niet kunnen voorstellen dat iemand zich met een beer verlooft is volstrekt begrijpelijk. Niemand hoeft dat zelf ook te doen. Het gaat om de volgende stap, het oordeel of de norm die eraan wordt verbonden. Voor Irene is de verloving met Janos de beer geen provocatie, maar iets wat gebeurt. Ze houdt van een beer. Dat had dramaturgisch meer geleidelijk opgebouwd kunnen worden, maar daar gaat het hier niet om. Relevant is hoe de omgeving reageert, met afwijzing, morele verkramping en projectie. De beer had net zo goed een andere buitenstaander kunnen zijn, iemand van een ander dorp, een vreemdeling, vluchteling, zwarte man, vrouw, genderneutraal persoon of iemand van de verkeerde kerk. In die zin sluit de thematiek aan bij de opera Peter Grimes, het tragische verhaal van een visser die door zijn gemeenschap wordt verstoten na de mysterieuze dood van zijn scheepsjongen.

Dramaturgie en scènes
De suspense-opera begint zoals goed muziektheater betaamt, met een pendant van Something’s Coming uit West Side Story. Hier heet het veelzeggend ‘Er hangt iets in de lucht’. We mogen even wennen aan de heldere, fraaie stem van Irene, gezongen door Merlijn Runia, die via de luidsprekers moeiteloos de ruimte van de Grote of Jacobijnerkerk vult. Achter haar gloeit een Jugendstil-achtig glas-in-looddecor dat sterk doet denken aan het werk van Tiffany, sprookjesachtig en badend in bijzonder mooi licht.
Haar vader Bertrand (Marcel van Dieren) antwoordt: “Ik verlaat je nog niet.” De lage tonen uit het viermansensemble (Idil Yunkus, viool, Beste Yildiz,cello Pierre Lafay klarinet en Ellen Zijn accordeon) onder leiding van Tjalling Wijnstra klinken onheilspellend. Daaroverheen zet hij een tokkelende viool in, een motief dat later vaker terugkeert, telkens boven andere instrumenten. Het effect is dat van wegsijpelend leven, hoorbaar verval van vader Bertrand. Zijn grote aria ‘Het is alsof ik haar binnenstebuiten ken’ is prachtig gezongen en muzikaal sterk, al zet de tekst hier kortstondig een verkeerde toon. Niets in de opera suggereert immers dat Bertrand iets anders voelt voor zijn dochter dan vaderlijke liefde. Mogelijk lopen bij Irene moeder- en dochter-zijn door elkaar. Ze verkleedt zich als haar alter ego met sterke gelijkenis met schilderijen waarop de woorden ‘moi’ en ‘mama’ staan.

Visueel is deze scène zeer aantrekkelijk. Bertrand draagt een jaloezie-opwekkende kamerjas met pauwenverenmotieven die terugkeren in het behang en naadloos aansluiten bij de Jugendstil-thematiek. Op de achtergrond verschijnen animaties van Joske Commandeur, soms sepia-getint en associatief. Door de Engelse detective-sfeer en de aanwezigheid van de beer doen ze onwillekeurig soms aan Winnie-the-Pooh denken. In een tijd waarin opera’s vaak worden overspoeld door onrustige video’s en livecamera’s is dit functioneel ingezet en esthetisch overtuigend.
Verkleedpartij
Wat volgt is een feestje waarbij iedereen verkleed gaat. Buurvrouw Freni verschijnt als de orde zelf, dogmatiek ten top, gekleed als non. Haar zoon Victor is verkleed als Superman, mannelijkheid tot karikatuur. Irene verschijnt als haar alter ego, Charles als een figuur uit A Clockwork Orange en vader Bertrand als Dolly Parton met blonde pruik en grote boezem. Hij zingt ook I Will Always Love You, later uitmondend in een ontroerend duet met Irene en vervolgens in een tutti met de dieren in het bos. Komisch is ook dat Victor, dus Superman, braaf plaatsneemt achter het echte kerkorgel.
De onrust laat niet lang op zich wachten. Irene kondigt aan dat zij zich heeft verloofd met Janos de beer. Voor Victor, die zelf op Irene aast, is dat onverteerbaar. Ook zijn moeder wijst de relatie af. Haar nonnenkostuum was niet toevallig gekozen. Er volgt een zeer mooi geschreven trio waarin de morele spanningen rond deze relatie helder worden uitgewerkt. Dan klinkt een schot. Vader Bertrand is neergeschoten. In de zoektocht naar de dader leren we de personages beter kennen.

Zoon Charles lijdt sinds de dood van zijn moeder enkele jaren geleden. In zijn grote aria ‘Ik heb u sindsdien niet meer aangeraakt’ doorloopt hij woede, ontreddering, sentiment, angst en overgave. Koen Masseling vertolkt dit overtuigend, mede dankzij de sterke personenregie van Corina van Eijk. Dan verschijnt de scherp spelende detective-tante Marie Valdair. Haar naam roept door klank en elegantie associaties op met Hercule Poirot en past overtuigend in het detective-idioom van Miss Marple tot Vera.

Er volgt een verstild duet tussen Charles en Marie Valdair, gezongen door Wivineke van Groningen, over het gemis van de overleden moeder en zus. Omdat Wivineke geen klassieke operazangeres is, kiest Wijnstra hier voor spraakzang, terwijl Koen Masseling zich van zijn meest lyrische kant laat horen. De spanning wordt opnieuw opgevoerd. Basklarinet, tokkelende viool, cello en accordeon tekenen de dreiging. Deze scène is beeldend, speels en muzikaal bijzonder goed gekozen.
Freni, gezongen door Klara Uleman, krijgt haar moment in de ‘ik-haat-je-aria’. De tekst is grappig, het spel intens en de zang overtuigend. Zittend op de ernstig zieke vader, mogelijk haar grote liefde, ontvouwt zich een ik-haat-je-ik-hou-van-je-scène. Wanneer de haat dreigt te winnen en zij hem met een kussen wil smoren, grijpt Marie Valdair in.

Victor (Wessel Wirken), in zijn Superman pak, maakt duidelijk dat hij verteerd wordt door jaloezie. Had hij maar zo’n vader als Bertrand, die nu op sterven ligt. Mogelijk projecteert hij ook het verlangen naar dezelfde man als zijn moeder. Zijn aria maakt zijn machteloze woede hoorbaar als escalatie ook weer met prima stel en goed verstaanbaar.
Dan is Janos de beer (Bauke Werf) aan de beurt. Zijn aria ‘hoe kan ik denken dat de wereld van mijn liefste ook van mij zou zijn’ is mooi en mondt uit in een ontroerend duet met zijn geliefde Irene, een moment van rust waarin Wijnstra excelleert. Zelfs met versterking klinkt het in de over akoestische kerk natuurlijk. De zin van de beer wordt instrumentaal herhaald als echo, wat de emotie verdiept en de tekst extra schrijnend maakt.
Marie Valdair ontmaskert de daders door de door haar geplaatste pitten terug te vinden in schoenzolen en niet in berenpoten. De straf is opmerkelijk. Marie Valdair gelooft niet in gevangenissen. De daders krijgen zeven jaar een kruisje op het voorhoofd. In het slot keren de thema’s terug. We krijgen een tutti, aanvankelijk zonder Freni, maar uiteindelijk zingt ook zij mee. Het einde is het begin. Het nummer over de boom “In mij groeit een boom, die aan iedereen water geeft’ is mooi, al is het wat lang uitgesponnen.
Female gaze
Vanuit een female gaze is deze opera overtuigend. De blik wordt niet door mannen gestuurd. De inhoudelijke rol van de vader is minimaal. Er zijn weinig opera’s waarin het overlijden van één personage zo vaak muzikaal wordt voorbereid. Dat is spannend en effectief. Irene is geen excentrieke randfiguur, maar een moreel autonoom subject. Ze wordt niet teruggefloten naar normaal en niet gecorrigeerd. De detective-lijn fungeert als commentaar op macht. Niet de vraag wie de dader is staat centraal, maar wie verdacht mag zijn. Feiten gaan voor aannames. De opera laat zien hoe vrouwenautonomie en afwijkend verlangen collectief worden hertaald tot gevaar, nog voordat er bewijs is.
Epiloog
‘Mijn engel, ik geloof je’ gebruikt het whodunnit-format als spiegel voor groepsmoraal. Oordeel komt vóór feiten, uitsluiting wordt automatisme en de ander fungeert als bliksemafleider. In de Jacobijnerkerk krijgt dat extra lading. De ruimte maakt elke beschuldiging groter en elke stilte betekenisvol. De opera ziet er verzorgd uit, met de fijnzinnige personenregie van Corina van Eijk. Alle zangers zingen goed en met zichtbaar genoegen. De zang lijkt deels op de uitvoerenden geschreven. Het slot sluit muzikaal de cirkel, maar laat de morele wrijving bestaan. De zin ‘was liefde maar half zo besmettelijk als haat’ is scherp gevonden. Wat blijft knagen is de omkering die de voorstelling suggereert. Haat verspreidt zich moeiteloos. Liefde vraagt moed.
Verder kijken, luisteren en lezen
Video trailer Mijn Engel, ik begrijp je
Componist Talling Wijnstra over zijn opera.