FeaturedOperarecensie

Intens Mariinski speelt pikzwarte symfonie

In het Concertgebouw ging gisteravond het licht uit. Met de pikzwarte veertiende symfonie van Sjostakovitj liet het Mariinski-orkest van Valery Gergiev de dood horen. De dood zonder hoop, de dood als het niets. Zeer intens gespeeld en formidabel gezongen.

Valery Gergiev, sinds 1988 artistiek directeur van het Mariinski Theater (foto: Alexander Shapunov).

Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn veertiende symfonie zes jaar voor zijn overlijden, als tegenwicht tegen de geromantiseerde manier waarop veel van zijn voorgangers de dood hadden afgeschilderd in hun composities. Voor de Rus had de dood niets van doen met verlossende, hemelse klanken. Dood is dood, vond hij, en dus schreef hij een pikzwart, somber werk.

Sjostakovitsj werd geïnspireerd door de ‘Liederen en dansen van de dood’ van Moessorgski, die toepasselijk genoeg vandaag (10 februari) in het Concertgebouw te horen zijn. Hij vond het aantal van vier liederen van zijn collega echter te weinig. Zelf gebruikte hij elf gedichten van vier dichters, die hij aaneenreeg tot een soort ‘vocale symfonie’ voor sopraan, bas en kamerorkest (strijkers plus percussie).

Net als de gedichten is de muziek niet eenvoudig. Dat zou ook niet moeten: de dood zoals Sjostakovitsj die ziet, ligt niet lekker in het gehoor. Als je je enigszins inleest en je bewust bent van de bedoelingen van de componist, is het stuk echter goed te volgen. Sterker nog: het sleepte mij gisteravond volledig mee.

Het orkest van het Mariinski Theater speelde de symfonie onder leiding van chef Valery Gergiev met grote intensiteit. Niet door grof geweld, maar juist door subtiel, spannend spel. Het was, om de juiste terminologie aan te houden, alsof je hart elf orkestliederen lang stil werd gezet bij het niets van de dood.

Hier en daar hadden de strijkers voor mijn gevoel nog wel iets grauwer mogen kleuren en articuleren. Maar de onbehagelijke, zwaarmoedige atmosfeer verslapte geen moment.

Dat mag zeker ook op conto van de twee solisten worden geschreven. Van de term ‘Russische topvocalisten’ die het Concertgebouw bezigde, was geen woord gelogen.

Sopraan Olga Sergeyeva bracht indrukwekkend veel expressie in haar grote, slavische stem aan en onderstreepte dat met krachtige non-verbale taal. De meeste emotie in de symfonie was van haar afkomstig.

De jonge Yuri Vorobiev liet een diepe, verfijnde bas horen. Vooral in de meer declamerende passages vond ik hem erg overtuigend. Zijn verstilde, sombere zinnen hulden perfect in de orkestklanken. Een zanger om te onthouden.

De symfonie werd voorafgegaan door de fantasie-ouverture Romeo en Julia van Tsjaikovski en een suite uit Prokofjevs ballet Assepoester. Tsjaikovski vond ik niet heel overtuigend. Ik miste samenhang tussen strijkers en blazers. Gergiev leek ook erg op de strijkers georiënteerd te zijn.

In Prokofjev klonk het orkest veel meer als één orgaan, maar balletmuziek gaat mij in concertvorm al snel vervelen. Alsof je een opera luistert zonder zangpartijen. Al moet ik zeggen dat het slot zeker enerverend was.

Zo enerverend en fascinerend als Sjostakovitsj’ symfonie was het echter niet. Als u dit bijzondere werk nog niet kent, raad ik u aan het op uw ’to do’-lijstje te zetten.

Het concert van het Mariinski-orkest was onderdeel van het Rusland Festival. Zie voor meer informatie de website van het Concertgebouw.

Vorig artikel

14 cd’s genieten van Renata Scotto

Volgend artikel

De wereld in 40 operahuizen: Glasgow

De auteur

Jordi Kooiman

Jordi Kooiman

Jordi Kooiman is journalist en muziekliefhebber. Hij richtte in januari 2009 Place de l'Opera op en leidt sindsdien het magazine.

1 Reactie

  1. Gerard
    10 februari 2011 at 19:19

    Dat Gergiev vaak op de strijkers gericht is, las ik ook in een recensie nav zijn Mahler5/LSO Live opname: Back in the old days before full scores were printed, conductors directed the orchestra from a first violin part. Valery Gergiev often seems like that type of conductor: he plays the tune, but not much else.