FeaturedHeadlineLiedrecensieRecensies

Mooi bewerkte Schumann-cycli met kwartet

Neil van der Linden hoorde in Splendor in Amsterdam uitvoeringen van Liederkreis Opus 39 en Dichterliebe van Robert Schumann door bariton Florian Götz in bewerkingen door Eduard Wesly voor althobo en strijktrio, bestaande uit Ulrike Titze viool, Bettina Ihrig altviool en Ulrike Becker cello, samen het Grundmann-Quartett.

Vlnr Eduard Wesly althobo, Ulrike Titze viool, Florian Götz bariton, Bettina Ihrig altviool en Ulrike Becker cello. Foto:© Neil van der Linden.

Schumanns liedcycli Liederkreis Op.39 en Dichterliebe Op. 48 uit 1840 hebben iets Biedermeier-achtigs. Zeker in de traditionele opzet van zang met piano. Er is immers geen muziek die beter past bij het instrument dat het tot favoriet meubelstuk van de toen opkomende burgerij had gebracht, de piano, hoe gepassioneerd Schumanns noten uit het jaar waarin hij naar verluidt bijna gekmakend verliefd was op Clara Wieck en hoe smartelijk de door Joseph von Eichendorff verwoorde romantische perikelen en het door Heine met een vleugje ironie beschreven liefdesleed eigenlijk ook waren. Vandaar dat het vaak een interessant experiment oplevert om de pianopartijen te orkestreren. Sommigen onder ons herinneren zich ongetwijfeld de verbluffende uitwerking van Reinbert de Leeuws Schumann-project Im wunderschönen Monat Mai, met nota bene een actrice, ok prachtig zingende maar niet in klassieke zang geschoolde actrice, Barbara Sukowa als soliste.

Theatraal

Hoboïst, in dit geval althoboïst, Eduard Wesly hield het wat kleiner en bewerkte Liederkreis en Dichterliebe voor althobo en strijktrio, zoals hij eerder al had gedaan met Schuberts Winterreise. Ook in deze versie werden de theatrale kwaliteiten van de muziek geaccentueerd. Niet alleen glooiende romantische landschappen, maar in Liederkreis ook de onheilszwangere romantiek en in “Dichterliebe” de gesublimeerde eenzaamheid zoals we die van Caspar David Friedrich kennen, en zelfs iets van de spookbeelden van Fuseli.

Der Wanderer über dem Nebelmeer, schilderij van Caspar David Friedrich.

Dit komt extra scherp tot uiting in de soms warme maar soms ook uitgebeende klanken van het authentiek instrumentarium waarvan het Grundmann kwartet zich bedient. In deze opstelling blijft tegelijkertijd het intieme karakter van de liederen behouden, waarbij bariton Florian Götz je de teksten soms persoonlijk lijkt in te fluisteren.
Liederen als met name Schöne Fremde, Auf der Burg en Frühlingsnacht uit Liederkreis en Die Rose, die Lilie, die Taube, die Sonne uit Dichterliebe kwamen op deze manier wonderlijk direct over, alsof het zo hoort, alsof het voor dit ensemble is geschreven.
Terwijl ‘Im Rhein, im Heiligen Strome’uit Dichterliebe bijna Wagneriaanse dimensies kreeg. Ik weet niet meer precies in welk lied het was, maar ergens ontstond de sfeer van het langzame deel van Schuberts strijkkwartet Der Tod und das Mädchen. En in deze instrumentatie hoor je het instrumentale einde van het zestiende lied, het laatste, ‘Die alte, bösen Lieder ‘nergens indringender wegsterven dan op deze manier, waarbij de instrumenten de een na de ander stoppen.

Florian Götz met links Eduard Wesly (althobo), Ulrike Titze viool en Bettina Ihrig altviool . Foto:© Neil van der Linden

Het kwartet is vernoemd naar Jakob Friedrich Grundmann, een blaasinstrumenten bouwer in Dresden, vooral beroemd vanwege zijn hobo’s. Maar de nu door Eduard Wesly bespeelde althobo is gebouwd door Tabard in Lyon, in ongeveer 1830. Dus Schumann zou het instrument gehoord kunnen hebben.

Rauw

Tijdens het schrijven van deze recensie hoorde ik op de radio toevallig een opname van ‘Frühlingstraum’ uit Winterreise door Thomas E.Bauer met Jos van Immerseel op fortepiano, en mede door de tegelijk ‘ruwere’, maar ook volle klank van het door Van Immerseel gebruikte instrument, klonk het lied ‘haunted’, zoals het is bedoeld. Dus misschien zijn het sowieso de randjes van ouder instrumentarium die de muziek een welkome rauwte meegegeven. Dat wil niet zeggen dat het in zo’n combinatie niet mogelijk is tegelijk ook honingklanken voort te brengen, zoals Götz bewijst (net als genoemde Bauer).

Tussen de twee cycli speelde het Grundmann-Quartett Schumanns bijna-streng akademische Sieben Stücken in Fughettenform uit 1853 ontstaan vanuit diens fascinatie voor Bach. Schumanns Kunst der Fuge als het ware, uit de tijd overigens dat volgens de geschiedschrijving zijn geestesgesteldheid al ernstig te wensen overliet. Dit arrangement had ook baat bij de heldere akoestiek van Splendor. Vervolgens werd er een bewerking van een laat klavier werk van Brahms uitgevoerd, zijn Intermezzo Op. 116 nr. 6 (1892), waarin het ensemble juist aantoonde hoeveel vrijheden Brahms in zijn late jaren nam, andersom dan Schumann in zijn fuga’s.

Het Grundmann Quartett met Florian Götz. Foto: © Felix Broede

Toegift

Als toegift klonk een indringende interpretatie van ‘Der Lindenbaum’ uit Schuberts Winterreise, uit de cyclus die ze eerder succesvol hadden uitgevoerd, en eerder op een CD hadden gezet, waarover Diapason schreef “Un des plus impressionnantes transcriptions – et lectures – entendues à ce jour” (Een van de meest indrukwekkende transcripties – en voordrachten – de laatste tijd gehoord.) Melancholischer wordt het niet.
Men heeft zich ook al aan Mahlers Lieder des Knaben Wunderhorn gewaagd. Naar ik begrijp zijn er plannen voor meer Mahler. Mijn tip zou ook Hugo Wolf zijn. In beide gevallen misschien in combinatie met afwisselend een vrouwenstem. Dan voeg je aan de dialoog tussen zanger en instrumentalisten een dialoog tussen twee zangers toe. Maar misschien zou dat ook afleiden. In de huidige opzet is de zanger én solist én een vijfde lid met het ensemble.

Verder luisteren en lezen

Drie liederen van Schumann door Florian Götz en het Grundmann Quartett.

Olga de Kort besprak in 2022 een traditionele uitvoering van Dichterliebe.

Vorig artikel

Elisabeth Hetherington: tot alles doordringen

Volgend artikel

Dit is het meest recente artikel.

De auteur

Bo van der Meulen

Bo van der Meulen