Oude muziek als levende zee in Salzburg
In de Felsenreitschule in Salzburg presenteerde het ensemble L’Arpeggiata onder leiding van het onvoldoende geëerde multi-talent Christina Pluhar zondagmorgen 26 mei het programma Übers Meer, een muzikale reis rond zee, verlangen, reizen en afscheid. Het ensemble voert dit programma al langer uit, maar op uitnodiging van Cecilia Bartoli krijgt het nu een plaats binnen de Salzburger Pfingstfestspiele. De ruim veertienhonderd plaatsen tellende zaal was volledig uitverkocht en al vanaf de eerste maten werd duidelijk waarom.

Het programma sluit perfect aan bij het reisthema dat Bartoli dit jaar als rode draad door het festival heeft gekozen. In Übers Meer trekken mythologische figuren, schipbreuken, sirenen en verloren geliefden voorbij in muziek van Monteverdi, Cavalli, traditionele mediterrane liederen en Spaanse barok. Oude muziek wordt hier geen museumkunst, maar een levende, ademende vertelling over mensen die onderweg zijn, verdwalen, verlangen en terugkeren en dat zonder artificiële intelligentie.
De opening met Francesco Cavalli’s ‘Caduta è Troia’ uit La Didone zet meteen de toon. Sopraan Céline Scheen zingt het met grote helderheid en dramatische intensiteit, terwijl Pluhar en haar musici direct die vrije, bijna improvisatorische speelstijl neerzetten waar L’Arpeggiata zo bekend om is. Er ontstaat een sfeer van beweging, wind en reizen over zee, precies het centrale thema van deze ochtend. Na het eerste stuk volgt een schitterend percussiewerk dat als brug dient naar het volgende deel van het programma. Je denkt werkelijk dat er opnames klinken van golven, vogels en een kabbelende zee. Ik keek zelfs even om me heen of ergens verborgen luidsprekers stonden opgesteld, maar nee: dit bleek volledig het werk van de percussionisten. Zee, wind en vogels worden zó overtuigend nagebootst dat het artificiële intelligentie de loef af stak. Puur vakmanschap en bovendien een magisch moment in het concert.

Daarna volgt ‘Are mou rindineddha’ in een arrangement van Christina Pluhar zelf*. Céline Scheen zingt hier samen met Vincenzo Capezzuto, de Italiaanse alt met zijn warm boterige, maar toch ook licht onpeilbare, dus richting etherische stemgeluid. Meteen ontstaat er iets bijzonders. Hun stemmen zoeken voortdurend elkaars klankkleur op, kruipen als het ware in elkaar, waardoor een hypnotiserende intimiteit ontstaat. De sfeer in de zaal slaat direct om naar verwondering: wat klinkt dit ongelooflijk mooi.
Mezzosopraan Luciana Mancini verschijnt vervolgens nadrukkelijk op de voorgrond. Haar donkere, aardse stem vraagt aanvankelijk even gewenning naast de lichtere kleuren van Scheen en Capezzuto. Later in het programma komt zij volledig tot haar recht in heks in ‘La Bruja’. In dit temperamentvolle nummer kan Mancini niet alleen vocaal schitteren, maar ook haar grote theatrale présence tonen. Het sprankelende karakter van het stuk werkt aanstekelijk en geeft de voorstelling plots een bijna volks, ritmisch uitbundig gezicht.

Versmelting
Vervolgens klinkt ‘La Sirena’ met Capezzuto en Mancini. Ook hier ontstaat die bijzondere muzikale versmelting die zo kenmerkend blijkt voor deze ochtend. De stemmen vinden elkaar in consonanten en dissonanten, trekken naar elkaar toe en wijken weer uiteen, waardoor een spannend en sensueel klankspel ontstaat dat perfect aansluit bij het thema van zee, verleiding en reizen. ‘Canto di Sirene’ vormt opnieuw een hoogtepunt. De combinatie van sopraan met bariton Renato Dolcini levert een prachtig muziekstuk, maar vooral de rol van de zink (een oude vorm van cornetto), bespeeld door Doron Sherwin, maakt diepe indruk. In duet met de sopraan fungeert dit instrument als tweede stem: het ademt met haar mee, versterkt emoties en vormt een onweerstaanbaar muzikaal complement. Het is één van die details waardoor deze uitvoering voortdurend meer wordt dan alleen een concert.

Een prachtig instrumentaal tussenspel laat vervolgens zien hoe uitzonderlijk goed dit ensemble is. Diverse musici improviseren op een doorgaande baslijn van de theorbe van Christina Pluhar. Contrabas, viola da gamba, diverse strijkers en toetsen nemen beurtelings de melodische lijnen over en ook de zink laat weer heerlijk van zich horen. Het wonderlijke is vooral hoe fris Pluhar dezelfde onderliggende structuur weet te houden. Wat eenvoudig zou kunnen worden, blijft voortdurend levend, speels en inventief.
Ulisee
Aan het einde van het eerste deel klinkt de monoloog van Ulisse uit Monteverdi’s Il ritorno d’Ulisse in patria. De monoloog gaat over de vermoeide held die na jaren omzwervingen zijn thuiskomst nauwelijks kan geloven. Dat werk had ik vierentwintig uur daarvoor nog gehoord in een andere versie namelijk de marionettenproductie van Carlo Colla & Figli**, waardoor vergelijking zich haast automatisch opdringt. Tenor Valerio Contaldo in deze productie pakt de scène totaal anders aan dan zijn collega Vito Priante in de operavoorstelling. Contaldo legt veel meer emotionele directheid in zijn zang en blijkt bovendien een echte performer. Zijn stem is markanter, flexibeler en voortdurend geladen met spanning. Waar Priante eerder ingetogen en nobel bleef, trekt Contaldo de monoloog veel sterker naar het theater. Dat laatste vind ik altijd knap maar de stem van Priante sprak mij wat betreft kleur meer aan voor de rol.

Tancredi
Het tweede deel van het concert is Monteverdi’s Il combattimento di Tancredi e Clorinda. Het is één van de beroemdste dramatische scènes van Claudio Monteverdi en geldt als een belangrijk overgangswerk tussen madrigaal en opera. Het stuk is gebaseerd op een epos en speelt tijdens de Eerste Kruistocht in Jeruzalem. De christelijke ridder Tancredi vecht in het donker tegen een vijandelijke moslimstrijder zonder te weten dat het Clorinda betreft, de vrouw op wie hij verliefd is. Pas nadat hij haar dodelijk verwond heeft en haar helm afneemt, ontdekt hij haar identiteit. Stervend vraagt Clorinda om haar zonden weg te wassen, waarna Tancredi dat doet voor zij overlijdt. Monteverdi drukt muzikaal woede, strijd en emotionele spanning uit door snelle herhaalde noten in de strijkers voor te schrijven, iets wat destijds revolutionair was en later enorm invloedrijk werd in operamuziek. Bijzonder is ook dat het werk een verteller heeft, de Testo, die vrijwel continu het verhaal vertelt, terwijl de personages slechts af en toe direct spreken. Daardoor zit het ergens tussen theater, cantate en mini-opera in.

Voor het festival was het interessant dat het werk over reizen gaat, oorlog en botsing van culturen, wat goed aansluit bij Bartoli’s festivalthema. En voor mijn behandeling van het thema female gaze kunnen we stellen dat Clorinda een opvallend sterk vrouwelijk personage is: krijger, onafhankelijk, vermomd als man in de strijd; wel is de verteller een man en beleven we het verhaal technisch uit zijn perspectief, maar in de vertaling van het libretto zag ik daar geen schokkende male gaze elementen. Tenzij je een moslima die plots om een doopsel vraagt typisch vindt passen bij de wispelturigheid van een vrouw, maar dat is een male gaze grapje van mij.
Clorinde
Valerio Contaldo maakt als verteller Testo enorme indruk. De tenor heeft hier waanzinnig veel tekst te zingen en gebruikt daarbij niet alleen zijn stem, maar zijn volledige lichaam. Mimiek, houding en expressie staan voortdurend in dienst van de vertelling. Céline Scheen verschijnt als Clorinda in een witte outfit en weet haar kleine rol grote uitstraling te geven. Renato Dolcini heeft als Tancredi een paar mooie momenten die hij goed benut. Het absolute hoogtepunt komt aan het einde van het werk, wanneer Céline Scheen de woorden ‘io vado in pace’ zingt. Hoe zij haar stem daar langzaam laat uitdoven, is zo ontroerend mooi dat het bijna het hele concert samenvat: kwetsbaarheid, afscheid, rust en verlangen vallen plots samen in één enkele muzikale lijn.

© SF/Marco Borrelli
Wat dit concert uiteindelijk zo bijzonder maakt, is dat werkelijk iedereen zichtbaar met enorm plezier musiceert. Dat hoor je ook. Alle zangers zingen volledig uit het hoofd, wat des te indrukwekkender is omdat dit geen repertoire is dat dagelijks wordt uitgevoerd. Juist daardoor ontstaat een enorme vrijheid in expressie en contact met het publiek.
De Felsenreitschule blijkt bovendien gevuld met een opvallend gemêleerd publiek qua leeftijd. In tegenstelling tot sommige oude-muziekfestivals, waar het publiek vaak sterk vergrijsd is, zit hier een levendige mix van generaties in de zaal. Salzburg mag daar best trots op zijn.
Het applaus houdt dan ook langdurig aan en leidt tot twee toegiften. In de eerste begint een percussionist met een ritmische trom, waarna een van de zangers, tevens professioneel danser, plots begint te dansen. Even later verschijnt zelfs een man met bivakmuts op het toneel die een ander soort dans doet, het blijkt de zink speler te zijn die ook een paar goede moves maakt. De sfeer om naar iets bijna carnavalesks. Het publiek geniet zichtbaar. Dan volgt nog een tweede toegift: een prachtig liefdeslied dat deels nog van blad wordt gezongen, maar juist daardoor iets ontwapenends houdt. Het is een intiem, warm einde van een concert dat voortdurend balanceerde tussen barok, volksmuziek, improvisatie en theater.

Female gaze
Wat Übers Meer bovendien bijzonder maakt, is dat Christina Pluhar nergens probeert oude muziek plechtig of academisch te maken. Haar voorstelling draait niet om heroïsche mannen die de wereld veroveren, maar juist om kwetsbaarheid, verlangen, lichamelijkheid en emotionele verbinding. Zelfs wanneer Odysseus, Tancredi of mythologische zeehelden centraal staan, blijft de blik vooral menselijk en sensueel. De muziek mag verleiden, ademen en troosten. Dat vrouwelijke perspectief voel je ook in de manier waarop de stemmen met elkaar verweven raken. Zeker geen competitie of virtuositeit staat centraal, maar aanraking, samenwerking, luisteren en klank. Vooral in de duetten van Céline Scheen met Vincenzo Capezzuto ontstaat daardoor een intimiteit die je zelden hoort. Oude muziek wordt hier geen demonstratie van stijlkennis, maar iets fysieks en emotioneels. Misschien is dat wel precies waarom Pluhar en L’Arpeggiata zo’n breed publiek weten te raken.
Wat hier ontstaat is geen academische reconstructie, maar een levende muzikale odyssee tussen culturen, tijden en emoties.
Verder kijken, luisteren en lezen
*Are mou Rindinedha door L’Arpeggiata
**Monique ten Boske over Il ritorno d’Ulissee in patria in Salzburg met marionetten.