Lukáš Zeman terug bij DNOA familie.
Bariton Lukáš Zeman studeerde in 2013 af aan de Dutch National Opera Academy (DNOA). Sindsdien zingt hij over de hele wereld en heeft zijn thuisbasis gevonden in Lyon, waar hij aan het Conservatoire National Supérieur Musique et Danse de Lyon werkt als docent zangtechniek en ook als coach van zijn moedertaal, het Tsjechisch. Nu is hij terug bij de DNOA om daar te werken aan het Tsjechisch van de studenten voor de productie van Leoš Janáčeks Het sluwe Vosje, Příhody lišky Bystroušky. Is het als moedertaalspreker gemakkelijk om te begrijpen waar de taalproblemen van niet-Tsjechische zangers liggen?

Lukáš Zeman:” Eigenlijk denk ik dat het Tsjechisch niet zo moeilijk of ingewikkeld is, zeker niet als ik het vergelijk met Russisch of zelfs Duits. Ik geef ook dictie les aan het conservatorium in Lyon. Daar hebben ze een heel interessant programma met vijf verplichte talen. Iedere zanger van de zangafdeling moet die volgen: Italiaans, Duits, Engels, Russisch en Tsjechisch. Natuurlijk niet zo intensief als Italiaans, maar ze krijgen wel uren waarin ik de basis uitleg: hoe je als zanger met de taal omgaat. Ze zullen natuurlijk geen Tsjechisch gaan spreken en waarschijnlijk ook niet alles begrijpen als ze er zelf geen tijd in steken. Maar in die lessen leren ze de uitspraak voor zangers te beheersen. In Lyon hebben we groepslessen van twee uur. In het begin vertel ik ongeveer tien minuten iets over de geschiedenis en laat ik oude Tsjechische drukwerken zien. Daarna lezen we poëzie. Ze proberen het gewoon. Vervolgens corrigeren we en leg ik de moeilijkheden uit. Na twee uur weten ze eigenlijk al een beetje wat de truc is en waar de problemen zitten: we hebben veel medeklinkers. Maar in feite is het best goed te doen.
Misschien is de zachte ř het lastigst. Die klank bestaat, voor zover ik weet, niet echt in andere Europese talen. Het is een soort gerolde, zachte r. Mensen proberen hem dan heel nadrukkelijk te maken, maar dat wordt vaak te veel. We zeggen dan: maak de r zacht.In deze productie waren er overigens geen problemen met de ř.
Ook lastig is dat we soms eigenlijk geen klinkers hebben. Je moet dan zingen door een soort neutrale klinker toe te voegen. Dat kan problemen opleveren, omdat sprekers van Romaanse, Germaanse of Engelstalige talen dat niet gewend zijn. Maar zodra ze het begrijpen, verzin ik iets of schrijven ze het in hun eigen taalnotatie op.”
In deze fase werk je vooral aan uitspraak en dictie, niet zozeer aan betekenis en grammatica?
LZ:” Dat is in Lyon onmogelijk, omdat ik daar te weinig uren voor heb. Maar hier bij de DNOA voor Het sluwe vosje, had ik meer tijd. Daardoor konden we ook iets zeggen over dialect, want Janáček hield van dialecten, maar hij was daarin niet erg consequent. Hij gebruikt een woord op één manier en drie pagina’s later in een andere vorm. Hij hield van die vrijheid. De zangers vroegen dan: ‘Waarom staat hier drie keer hetzelfde woord, maar steeds anders?’ Dan zei ik: ‘het is hetzelfde; de ene keer is het letterlijk, de andere keer wat deftiger en weer een andere keer ouderwets.’

Hij is er niet strikt in; hij doet gewoon wat op dat moment in hem opkomt. Dat zie ik ook in zijn andere opera’s, omdat ik er veel heb gezongen. Hij is niet erg consequent; hij schrijft zoals het voor hem goed voelt. De dieren hebben natuurlijk iets eigens, maar ze gebruiken ook menselijke aspecten van het leven. Ze zijn in zekere zin zoals wij. Ik denk niet dat er een sterke of strikte scheiding is tussen: de dieren spreken zo en de mensen zo.”
Voor jou is natuurlijk niets moeilijk, maar je hebt met de zangers gewerkt. Was er iets waar ze meer moeite mee hadden dan met andere passages?
LZ:” Ik denk de snelle stukken. Als het tempo hoog ligt, moeten ze echt alles goed afleveren. Maar ze hebben het altijd gered, omdat we er heel precies aan gewerkt hebben. We begonnen met spreken. Ik zei: “Nee, ik wil dat jullie eerst de tekst spreken, want Janáček is heel precies — of misschien eerder eigenaardig — omdat hij gesproken tekst in muziek vastlegde. Hij verdiepte zich eerst echt in de melodie van de gesproken taal. Ik zei tegen hen: “Als je het spreken beheerst, krijg je geen probleem met het zingen.” Soms moeten wij zangers snel leren en gaan we meteen de tekst zingen. Dat is eigenlijk een beetje verkeerd. We zouden de tekst eerst moeten spreken. Dat hebben we veel gedaan. Ik zei: “ Nee, ik wil de muziek nog niet.” Stel de muziek uit, leer de muziek nog niet. Volgens mij heeft dat zijn vruchten afgeworpen.

Na de generale repetitie kan ik eigenlijk niets meer veranderen. Ik kan nog wel opmerkingen maken, maar als ze iets een week geleden niet hebben veranderd, zullen ze het nu niet meer veranderen, omdat het er dan al ingesleten zit, maar ik moet zeggen dat het verbazingwekkend is wat ze doen, want het klinkt heel goed. Ze hebben zich er echt in verdiept. Ze kennen ook de emoties; ze maken niet alleen klanken. Ze weten: hier ben ik boos, hier is de vos verliefd. Je zult het zien. Het wordt heel interessant.”

Jij bent zanger en hebt een internationale carrière. Zijn er talen waar jij moeite mee hebt?
LZ:” Ja. Ik woon nu zes jaar in Frankrijk en ik werk nog steeds aan mijn Frans. Ik denk dat het een van de moeilijkste talen is om te zingen, en ook om te leven. Je leert het spreken en daarna moet je ook leren schrijven. Het is echt ingewikkeld. Er zijn altijd uitzonderingen. Nederlands is ook moeilijk. Ik spreek nu nog een beetje Nederlands.”
Je had dit hele interview dus in het Nederlands kunnen doen?
‘Nee, dat is heel moeilijk. Ik heb het lange tijd niet gebruikt. Ik kan het een beetje nadoen, maar na een tijdje komt er een moment waarop ik de woorden niet meer kan vinden. Ik ontmoette Hanneke de Wit, de docent van DNOA, en ineens begon ik Nederlands te spreken. We gingen door en toen realiseerde ik me: dit gaat niet goed, want straks kan ik de woorden niet meer vinden. Maar ik heb er jarenlang gewoond, dus ik begrijp alles.”
Als je terugkijkt op je tijd bij DNOA en die vergelijkt met nu: wat miste je als student destijds? Of wat zou er vanuit carrièreperspectief nog aan het programma kunnen worden toegevoegd?
LZ:” Dat is vooral de overgang van school naar de echte wereld. Maar ik denk niet dat het een probleem van de school is; het ligt ook een beetje aan de andere kant. Ik had misschien graag wat meer tijd voor mezelf gehad, om te studeren. Het programma is erg druk en ik zie dat ze nu zelfs nog drukker zijn. Ze hebben een heel zwaar schema, en dat is goed, maar soms is het ook goed om na te denken: hoe pak ik dit aan, wat moet ik oefenen? Daar hebben ze eigenlijk geen tijd voor. Ik herinner me dat het bij DNOA vroeger een beetje hetzelfde was. Het is niet slecht, maar alles heeft tijd nodig. De school is natuurlijk gebonden aan het studiejaar, dus ze kunnen niet eindeloos tijd nemen om te kijken hoe je iets gaat aanpakken.

Maar het was geweldig. We hadden veel masterclasses, concerten en voorstellingen. Ik denk eerlijk gezegd niet dat er een beter programma bestaat. Dit specifieke programma is heel waardevol, omdat je het echte werk kunt doen terwijl je nog op school zit. Het probleem bij operastudio’s in operahuizen is tegenwoordig vaak dat er niet genoeg begeleiding is. Ik heb het gevoel dat veel theaters jonge zangers en operastudio’s gebruiken als goedkope arbeidskrachten. Ze investeren niet genoeg in hen: hoe speel je, hoe werk je aan techniek, dat soort zaken.”
En hier in Amsterdam?
LZ:” Het was geweldig. Het was voor mij ook een beetje emotioneel, omdat ik ‘de familie ‘weer zag. Ze vormen echt een familie. Het is hechter dan in Lyon, omdat het CNSMD geen operastudio is; aan de Opéra de Lyon is wel een programma dat meer op een studio lijkt. Bij DNOA doen ze alles samen en vormen ze twee jaar lang een soort familie, in goede en slechte tijden. Maar het was goed, echt heel goed. Ik zal het nooit vergeten. Het waren heel vormende jaren. Het was geweldig en het heeft me veel gegeven.”
Toen je naar de studio kwam, had je een droom. Als je nu, dertien jaar later, terugkijkt: heb je bereikt waar je van droomde?
LZ:”Ik denk het wel. Ik werk nog steeds, en dat is het belangrijkste. Ik zing en ik doe wat ik leuk vind. Dat is heel belangrijk. Ik ben heel blij dat ik het heb gedaan. Ik heb er nooit spijt van gehad. Er waren dingen in mijn studie waar ik spijt van had, bijvoorbeeld bepaalde keuzes, maar ik heb nooit gedacht: mijn god, nee. Ik heb altijd gedacht dat dit zeker een van de beste keuzes was die ik ooit heb gemaakt.”

Welk groot advies zou je de jonge zangers met wie je nu werkt willen geven?
LZ:” Ze moeten naar hun innerlijke stem luisteren. Mensen zeggen natuurlijk veel, mensen hebben invloed en ideeën, maar iedereen is anders. Je moet naar je eigen stem luisteren — niet alleen letterlijk naar je zangstem, maar ook naar je eigen gevoel.
Als iets niet goed voelt, dan is het niet goed. Het is belangrijk om trouw te blijven aan jezelf.”
Příhody lišky Bystroušky (Het sluwe vosje) van Leos Janáček in de regie van Daniel van Klaveren en gedirigeerd door Chloe Rooke is te zien op 24, 25 en 27 juni om 19:30 uur en op 28 juni om 14:15 uur in de Conservatorium Zaal van Amare in Den Haag.
Voor lezers van Place de L’Opera is er een speciale aanbieding van twee kaarten voor de prijs van één voor de voorstellingen op 24 en 25 juni, als u de kaarten bestelt onder vermelding van de code VRIENDVOSJE.
Verder kijken, luisteren en lezen
Video trailer van Příhody lišky Bystroušky (Het sluwe vosje)
Lukáš Zeman studeerde in 2013 af met de rol van Graaf Almaviva in Le Nozze di Figaro.