De korsetveters van de opera mogen losser
De leden van De Nationale Operastudio werken dag in dag uit aan hun operatoekomst. Coaching, technieklessen, interpretatie, beweging, acteerlessen, alles om een zo compleet mogelijke operazanger te worden. Gedurende hun Studiojaren treden ze ook op in rollen in operavoorstellingen. Dit seizoen gaan de leden van de studio ook iets anders doen.

Op 13 en 14 juni ‘doen ze Broadway’ . Onder muzikale leiding van William Kelley, geregisseerd door Pim Veulings en choreograaf Evert Bakker gaan de jonge artiesten in Studio Boekman stukken van musicalcomponist Stephen Sondheim uitvoeren. Madison Horman en Steven van der Linden zijn twee van de zangers en aan tafel zijn na een lange repetitie ook William en Pim aangeschoven. Waarom willen klassieke operazangers zich bezighouden met de muziek van Stephen Sondheim?
Steven van der Linden, tenor:
“Ik denk dat een van de moeilijkste dingen aan het jong zijn als operazanger is dat een groot deel van het vak draait om techniek, om je operatechniek. En soms kan die techniek juist in de weg staan van de dingen waar mensen echt van houden in opera: verhalen vertellen, jezelf verliezen in een rol en werkelijk iemand anders worden. Wanneer je worstelt met technische operaproblemen, ben je in feite vooral jezelf. Dan ben ik niet een personage dat een verhaal vertelt, maar Steven die probeert een lied te zingen.

In het musicalrepertoire is de vereiste techniek heel anders. Het gaat niet voortdurend om het zingen van de moeilijkste noten. Daardoor valt er een laag van jezelf weg en wordt het gemakkelijker om direct contact te maken met de personages. Ook omdat alles in het Engels is, een taal die we allemaal spreken. Bovendien is de manier waarop het geschreven is heel direct verbonden met het verhaal. Zeker bij Sondheim, die een uitzonderlijk goede tekstschrijver was. Daar raken klassieke muziek, opera en musical elkaar: uiteindelijk draait alles om het vertellen van een verhaal. Op deze manier wordt het voor ons een heel interessante oefening om alle stemmen in ons hoofd los te laten die ons vertellen hoe we iets zouden moeten zingen. We zijn immers geen musicalzangers. Daardoor kunnen we veel vrijer experimenteren en verder gaan in het ontdekken van deze personages dan we normaal gesproken gewend zijn.”
Kan het niet wat onnatuurlijk of gekunsteld overkomen als operazangers musical zingen?
Madison Horman, sopraan: “Het kan heel afschrikwekkend zijn om musicaltheater op een erg opera-achtige manier te horen zingen, tenzij het specifiek zo geschreven is. Er zijn natuurlijk musicals zoals Carousel of sommige werken van Rodgers & Hammerstein die zeker op een opera-achtige manier gezongen kunnen worden en die dat soort klank zelfs vereisen. Maar Sondheim stond juist heel ver van opera af. Hij wilde niet dat zijn muziek als opera klonk. Ze is ook helemaal niet op die manier geschreven.

Daarom moet er een duidelijk onderscheid zijn. Natuurlijk blijven wij operazangers die musicaltheater zingen, maar we moeten een deel van onze operatechniek loslaten wanneer we musical zingen. Het laatste wat je wilt, zeker wanneer je in een ander deel van je stem zingt en de tekst zo belangrijk is, is dat alles overdreven zwaar, met veel vibrato en een te opera-achtige klank wordt.”
William Kelley, hoofdcoach en muzikaalleider: “ De techniek moet uiteindelijk ten dienste staan van wat de muziek nodig heeft. Operatechniek is natuurlijk niet zomaar ontstaan. Het is niet zo dat iemand op een dag wakker werd en besloot: “We gaan met vibrato zingen.” Die techniek ontwikkelde zich omdat er bepaalde eisen werden gesteld: projectie, uithoudingsvermogen, lange frasen en nog veel meer. Daardoor ontstond geleidelijk wat wij de operatechniek noemen. Maar binnen die techniek bestaat nog steeds een enorme variatie. Het is heel anders wanneer je Wagner zingt dan wanneer je Rossini zingt. Beide stellen totaal verschillende eisen aan de zanger. Bij musicaltheater is dat precies hetzelfde. Soms vraagt het niet om enorme projectie of eindeloze legatolijnen. In plaats daarvan vraagt het om tekstprecisie en andere vaardigheden. De techniek moet altijd in dienst staan van wat de muziek nodig heeft.

Wat was jullie doel met dit project als educatief onderdeel van de opleiding van jonge operazangers?
WK: “Ik wilde hen de kans geven om bepaalde moeilijkheden of lagen van complexiteit, die normaal veel mentale ruimte innemen en veel voorbereiding vergen, even los te laten. We parkeren die zaken weven en laten we ons concentreren op het uitdrukken en ontleden van een tekst. Op het heel precies omgaan met woorden, ook met het gesproken woord. Bovendien werken we hier in een taal die voor de meesten van ons geen extra vertaalslag vereist. We zingen vaak in Duits, Italiaans of Frans, talen die voor velen toch enigszins vreemd blijven. Met Engelse teksten is de toegang tot wat we willen uitdrukken veel directer.’
En vanuit regie-oogpunt: wat kwam jij tegen toen je met deze operazangers ging werken?
Pim Veulings, regisseur: “We zijn nog maar net begonnen, dus we bevinden ons midden in het proces, maar juist omdat dit proces ruimte biedt om te zoeken en te experimenteren, ontstaan er mooie gesprekken. We werken immers niet aan één verhaal of één voorstelling, maar aan verschillende nummers. We praten veel over vragen als: waar gaat dit lied over? Wat willen we ermee bereiken? Omdat we ervoor gekozen hebben de nummers op een andere manier te presenteren, als performers die Sondheim-nummers uitvoeren in plaats van personages die een compleet verhaal vertellen, ontstaat er een andere dynamiek. Dat onderzoek en die zoektocht maken het voor mij juist spannend. Mijn achtergrond ligt bovendien in beweging en lichamelijke expressie. Daardoor kijk ik ook sterk naar de fysieke kant van een uitvoering.

Omdat we verschillende nummers doen, kunnen we telkens andere energieën gebruiken, andere manieren van bewegen en andere manieren om de ruimte te benutten. We hebben geen decor. Alles komt dus voort uit de performers zelf. Ook dat maakt het voor hen interessant om dit materiaal te onderzoeken.”
In Nederland kijken veel mensen nog steeds een beetje neer op musicaltheater, maar in de VS, het VK of in jouw geboorteland Nieuw Zeeland is dat anders.
MH:” Mijn achtergrond ligt eigenlijk in dans. Ik was danser voordat ik zanger werd. Via dans kwam ik terecht in musicaltheater. Tijdens mijn schooljaren deed ik vooral regionaal theater en ontwikkelde ik mijn stem grotendeels binnen musicaltheater. Tot ver in mijn tienerjaren beschouwde ik mezelf eerder als musicalzanger dan als operazanger.Pas later ontdekte ik dat er misschien ook een operastem in mij zat. Voor mij heeft er daarom altijd een brug bestaan tussen beide genres.Natuurlijk zijn sommige stemmen beter geschikt voor het ene dan voor het andere. Maar ik vind dat wie het ene kan, in principe ook het andere zou moeten kunnen — binnen redelijke grenzen natuurlijk.”
Voor veel operazangers is het best gebruikelijk om tijdens de voorbereiding op een nieuwe rol opnames van andere zangers te beluisteren. Er gelden zelfs bijna gouden standaarden voor bepaalde rollen. In het Sondheim repertoire bestaan ook legendes. Denk aan Mandy Patinkin, Bernadette Peters, een ware muze van Sondheim en de legendarische Elaine Stritch. Vergelijken jullie opnamen wanneer jullie deze musicalsongs voorbereiden?

MH: “Bij opera luister ik vaak naar andere zangers om te horen hoe zij iets aanpakken. Bij Sondheim vond ik kijken veel belangrijker dan luisteren. Ik heb veel video’s van Bernadette Peters bekeken. Zowel in de originele producties als tijdens concerten en Sondheim-gala’s.Ik vond het vooral interessant om te zien hoe haar interpretaties zich ontwikkelden.Niet alleen bij haar trouwens, maar ook bij andere performers. Voor mij ging het vooral om observeren hoe zij toegang vinden tot de emotionele wereld van deze muziek.Niet zozeer om hun zang te kopiëren.
SVL:” Ik heb ook wel naar opnamen geluisterd. Bij opera’s die wij zingen bestaan er meestal één of twee legendarische opnamen waar iedereen naar luistert. Bij deze muziek ligt dat anders.Ik weet dat ik geen musicalzanger ben, dus ik kan veel vrijer luisteren. Dan denk ik eerder:”Dat is interessant. Dat werkt goed. Dat is een stijlmiddel dat ik nog niet ken. Of “Hier gebruikt hij een rechte toon.Daar gebruikt hij een techniek die ik herken uit mijn eigen zang.” Het opent mogelijkheden in plaats van dat het je beperkt.”
MH:” Bij iemand als Bernadette Peters gaat het ook niet om imitatie. Ze heeft een heel bijzondere stem die niemand van ons zou moeten proberen te kopiëren. Maar wat je wel kunt bestuderen, is haar manier van tekstbehandeling. Hoe ze zich volledig met de tekst verbindt. Dat is ongelooflijk inspirerend om te zien. Of neem Elaine Stritch. Dan zie je iemand die bijna ongeremd risico’s neemt. Je ziet haar woorden vormen, zingen, acteren, zonder angst om fouten te maken. Dat is fascinerend.Ze deed wat nodig was voor de expressie.Dat kun je observeren en daarvan kun je leren.”

PV:” Een paar dagen geleden zaten ze gewoon te zingen. En dat was al indrukwekkend. Hun stemmen, de energie die ze samen creëren, dat was meteen spannend. Ook vandaag, toen ze gewoon in de ruimte stonden. De manier waarop ze met elkaar praten, de vragen die ze stellen, de ideeën die ze zelf aandragen. Dat vind ik ontzettend inspirerend.
WK; “Als ik daar iets aan mag toevoegen: Rosie (Rosemary Joshua, artistiekleider van De Nationale Operastudio) en ik kennen deze groep al langer.Dat is eigenlijk ook een belangrijke reden waarom we juist dit seizoen dit project zijn begonnen. We hadden het gevoel dat deze groep zangers bijzonder geschikt zou zijn voor dit repertoire. Het zijn uitstekende operazangers, maar ze beschikken ook over de kwaliteiten die nodig zijn om deze muziek geloofwaardig te brengen. En tot nu toe blijkt dat inderdaad zo te zijn. Iemand vroeg ooit waarom deze operastudio nooit een musicalproject had gedaan. Dat verbaasde mij eigenlijk. Ik kom uit de Verenigde Staten en heb in New York gewerkt. Daar liggen opera en musical veel dichter bij elkaar.

Ik denk dat een operapubliek veel sneller iets kan vinden in Sondheim dan bijvoorbeeld in Mamma Mia! of Moulin Rouge!. Sondheim biedt een enorme intellectuele en muzikale rijkdom. Hij had een klassieke opleiding genoten.Hij was een uitzonderlijk intelligente componist. Wie bereid is om zich net zo diep in Sondheim te verdiepen als in Mozart of Wagner, zal ontdekken dat er ontzettend veel te vinden is.”
Stel dat er twee aanbiedingen op tafel liggen. De eerste: zeven voorstellingen van Così fan tutte, met jou in de hoofdrol. De tweede: een volledig jaar musicaltheater, met rollen die perfect bij jouw stem passen.Wat kies je dan? Ook met het oog op salaris en carrièreplanning?
SVL:” Ik denk dat mijn huidige vaardigheden toch meer aansluiten bij opera. Bovendien heb ik enorm veel respect voor mensen die vijf, zes, zeven of zelfs acht voorstellingen per week spelen, wekenlang achter elkaar. Dat vraagt een heel andere discipline.”
Madeline voor jou is de keuze zeven voorstellingen van jouw favoriete Puccini-rol of een contract voor een lange musicalproductie, bijvoorbeeld Carousel of Passion.
MH:”Als het gaat om mijn absolute droomrol in opera tegenover een droom musicalrol, dan zou ik voor dan zou ik waarschijnlijk daarvoor kiezen.
Tijdens een auditie voor de Metropolitan Opera vroeg iemand mij ooit: “Heb je een droomrol in musicaltheater?” En toen antwoordde ik meteen: Carlotta in The Phantom of the Opera. Die rol combineert de grandeur van opera met musicaltheater. Vocaal ligt dat eigenlijk perfect voor mij. Een studievriendin van mij, die klassiek is opgeleid, werd eerste cover voor Carlotta in de Londense West End-productie. Toen dat bekend werd gemaakt, was ik eerlijk gezegd een beetje jaloers.”

William, heb jij een voorkeur?
WK: “Veel operahuizen programmeren tegenwoordig musicals. Toen ik in Duitsland werkte, speelde ik de ene avond Peter Grimes en de volgende avond Hello, Dolly!. Ik vond dat fantastisch. Daarnaast zong ik ook Il Barbiere di Siviglia. Die combinatie vond ik geweldig. Dat laat zien dat je als operazanger prima beide werelden kunt combineren.
Toen ik afstudeerde, programmeerde ik musicalnummers naast zeer serieus opera repertoire. En toen werd er gezegd dat aan Juilliard bijna iedereen tijdens zijn eindexamenrecital wel een musicalnummer zingt. Gewoon omdat het voor operazangers prettig is om eens een ander repertoire te verkennen. Je kunt even losser zijn.De korsetveters van de operatechniek mogen iets minder strak.”
Wat hopen jullie uiteindelijk te zien aan het einde van dit traject? Wat zou voor jullie een geslaagd resultaat zijn?
PV:” Ik hoop dat de verschillende kwaliteiten van iedere zanger zichtbaar worden. Deze groep bestaat uit heel verschillende persoonlijkheden. Iedereen heeft eigen sterke punten. Ik wil dat die diversiteit zichtbaar wordt. Niet dat we iedereen in hetzelfde model proberen te persen.Ik wil dat hun individuele kwaliteiten juist sterker naar voren komen door het onderzoek naar dit materiaal. Niet dat ze worden gedwongen zich aan te passen aan een vorm die het publiek al kent. Dat is waar ik naar op zoek ben.”
WK: “Ik hoop dat ze, ongeacht of ze later opera, musicaltheater, operette of iets daartussenin doen, toegang vinden tot hun eigen kunstenaarschap. Deze muziek vraagt misschien om een andere kleur van dat kunstenaarschap. Maar uiteindelijk is het verschil niet zo groot. Het is gewoon een andere ingang. Ik wil dat ieder van hen zich thuis voelt in het nummer dat hij of zij zingt. Dat het natuurlijk aanvoelt. Dat er geen kunstmatige genrescheiding meer bestaat. Geen imitatie van een musicalklank. Geen imitatie van een operaklank. Niets geforceerds. Niets onechts. Gewoon eerlijk musiceren.”
Verder kijken, luisteren en lezen
Kennismakingsvideo met de leden van De Nationale Opera Studio 2026.
Madison Hormann ‘Becoming a singer’ video
Eerder dit jaar presenteerde De Nationale Operastudio Humor & Horror.