Home » Buitenland, Featured, Operarecensie

Brussel: Kolkende muziek uit een dodenhuis

Brussel9 november 2018 2 reacties

Negen opera’s liet Leoš Janáček na. Zijn laatste, Uit een dodenhuis, voltooide hij net niet. De Munt heeft deze ‘zwarte opera’ – naar de woorden van de componist – op het affiche gezet. De kolkende muziek liet dinsdag bij de première in Brussel de diepste indruk achter.

Regisseur Krzysztof Warlikowski hinderde Janáčeks krachtige muziek met eigen teksten en ideeën. (© B. Uhlig / La Monnaie De Munt)

Meteen bij de orkestrale inleiding was het wat betreft de enscenering van de Poolse regisseur Krzysztof Warlikowski foute boel. Op een zilveren wand, een alternatief brandscherm, werd het hoofd van een spreker geprojecteerd, die het publiek bewust wilde maken van ons rechtssysteem. Maar vanuit de orkestbak laaide er een muziek op die alle aandacht opeiste: zo veel kracht, hartstocht en kleur school erin. Hier sprak Janáček over zíjn visie op het verhaal.

Janáček ontleende zijn verhaal aan Fjodor Dostojevski’s autobiografische verhaal Aantekeningen uit een dodenhuis. Hij werkte het uit in één lange – terecht zonder pauze uitgevoerde – ontboezeming over gevangenschap, herinneringen aan hartstochtelijke liefde en hoop op bevrijding. Voor mij onbegrijpelijk dat een theatermaker daardoorheen gaat lopen met eigen teksten en ideeën. Ik heb tijdens de ouverture mijn ogen gesloten en me laten meesleuren door de kolkende muziek.

Goede smaak

De Munt brengt Uit een dodenhuis in een kritische uitgave van de partituur die pas in 2017 in druk werd uitgebracht, dankzij het speurwerk van de Engelse Janáček-onderzoeker John Tyrrell.

Op het moment dat Janáček in augustus 1928 stierf, een maand na zijn 74ste verjaardag, was hij net niet toegekomen aan een allerlaatste revisie van de opera. Sinds hij in februari 1927 was begonnen aan het libretto, schoot het werk aan de drie bedrijven snel op. Hij werkte zelfs de eerste twee bedrijven in het eerste halfjaar van 1928 om en was bezig het derde bedrijf op te schonen toen de dood hem meenam.

Het decor was kaal en bruut, met een verrijdbaar, modern ogend glazen kantoor voor de directeur en het gevangenispersoneel. (© B. Uhlig / La Monnaie De Munt)

Het programmaboek van de Munt beschrijft hoe twee leerlingen van Janáček werden belast met het drukklaar maken van Janáčeks autograaf. Ze keken verbijsterd naar de ruwe, brutale samenklanken in de heftige orkestpartijen (met veel koperblazers) en naar de harde expressie veroorzaakt door onder meer onconventionele instrumenten zoals zagen en bijlen. Behalve aanpassingen in de instrumentatie componeerden de leerlingen een nieuwe finale. Ze pasten zelfs het libretto aan de goede smaak aan. Zo werd in 1930 Uit een dodenhuis voor het eerst opgevoerd in Brno.

De weerstand tegen het lapwerk van de bewerkers groeide echter, eerst bij de Tsjechische dirigent Rafael Kubelik en later bij de Britse dirigent Charles Mackerras, die zich beiden inzetten voor een weergave naar de oorspronkelijke ideeën van Janáček. Mackerras betrok John Tyrrell bij het project, wat leidde tot de ongekuiste Dodenhuis-partituur zoals die nu in Brussel te horen is.

Nieuwe toon

Wat betreft de opzet is Uit een dodenhuis een buitenbeentje. Het is een opera zonder hoofdpersonen. De bezetting bestaat uit twintig kleinere en grotere rollen, allemaal mannenstemmen. Eén rol (Aljeja) dacht Janáček aan een sopraan toe (in de Brusselse voorstelling een tenor). Daarnaast is er nog een zeer kleine rol voor mezzosopraan (een hoer). Met een koor van aanvullende gevangenen erbij schetst Janáček het harde leven, maar vooral de hartstochten, binnen de muren van een gevangenis. Weliswaar zijn er drie bedrijven, maar in feite is het één lange vertelling van allerlei verhalen en anekdotes.

Het is wonderbaarlijk hoe een toch al oude componist een totaal nieuwe toon aansloeg, die nog steeds verbijstert. De scherpte van de dissonanten in de orkestrale lijnen, de felheid in de strijkers en de spetterende kracht in vooral de koperblazers werden door het Symfonieorkest van de Munt onder leiding van de Duitse gastdirigent Michael Boder verklankt in vulkanische uitbarstingen. Sterke verwijzingen waren hoorbaar in de Sinfonietta voor blazers die Janáček componeerde vlak vóór hij aan zijn laatste opera begon.

De rollen waren bezet met kanjers van stemmen. In de cast onder anderen Sir Willard White (midden). (© B. Uhlig / La Monnaie De Munt)

Er sprak ook tederheid uit diverse passages, een meevoelen met de tragiek van de gevangenen. Zoals de grote monoloog van Siskov, die in het derde bedrijf ongemerkt tevoorschijn komt uit een gekrioel van stemmen. Een verhaal over gemankeerde liefde en moord, dat door bariton Pavlo Hunka meeslepend werd gezongen. Ook de andere rollen waren bezet met kanjers van stemmen.

Geen adelaar

Het dodenhuis zelf bestond uit de volledige toneelruimte van de Muntschouwburg, kaal en bruut, met een verrijdbaar, modern ogend glazen kantoor voor de directeur en het gevangenispersoneel. De gevangenen huppelden, liepen, strompelden, dansten – al naar gelang hun geestelijke en lichamelijke toestand – door die ruimte in een soort gevangeniskleren. Of ze zaten genoeglijk op een tribune aan de rechterzijde.

Soms waren er opstootjes en vechtpartijen, maar van een echt wrede, onmenselijke samenleving, zoals Dostojevski die beschreef, was geen sprake. Zelfs de adelaar die de gevangenen verzorgen en die aan het eind de vrijheid krijgt, bleek spoorloos, waardoor het vrijheidslied dat het koor aanhief geen effect sorteerde. Of moesten we in de jongeman die in een rolstoel zat en zich weer verhief om te gaan basketballen die adelaar zien?

Weliswaar mogen de gevangenen in deze gevangenisopera ook feestvieren (ze organiseren een pantomime), maar door de luchtige sfeer tijdens de hele enscenering viel het bijzondere van die gunst om plezier te maken niet op. Ik voelde ook nergens enig verband tussen wat ik zag op het toneel en wat ik hoorde uit de orkestbak.

Juist omdat de toneelbeelden mij niets deden, richtte ik me op de verbijsterende klankbeelden uit het orkest. Want in deze opera zonder hoofdpersonen is het orkest dé hoofdpersoon. Gezien het feit dat Uit een dodenhuis na 1978 niet meer door De Nationale Opera is opgevoerd, biedt de Munt een muzikaal voorbeeldige toevoeging aan de Janáček-kennis.

Uit een dodenhuis is nog tot en met 17 november te zien. Zie voor meer informatie de website van de Munt.

door

Uit een dodenhuis
Leoš Janáček

Uitgevoerd door: Symfonieorkest en herenkoor van de Munt onder leiding van Michael Boder.
Solisten: Willard White, Pascal Charbonneau, Pavlo Hunka, Graham Clark, John Graham-Hall, Ladislav Elgr e.a.
Regie: Krzysztof Warlikowski.
Bezocht op 6 november 2018

2 reacties »

  • Stefan Caprasse zei:

    ‘Uit een dodenhuis’ behoort tot mijn lievelingsopera’s. Het is een somber maar prachtig werk dat wil aantonen dat er zelfs bij de meest verschopte mensen nog een “Goddelijke vonk” (Janaceks woorden) schuilt, dwz een drang naar waardigheid en hoop…
    Geen evident werk om op de scene te brengen, gezien er relatief weinig in ‘gebeurt’ en het grotendeels bestaat uit vertellingen van diverse gevangenen hoe ze zover geraakt zijn…

    Afgezien van van een produktie in de Vlaamse Opera, heel lang geleden (in het nederlands!), zag ik reeds 3 produkties van dit meesterwerk:

    De enscenering van Klaus Michael Gruber, die ik in Parijs zag (met oa José van Dam), een mooie, kleurrijke produktie, eigenlijk een beetje té mooi…

    De vorige enscenering in de Munt van Peter Mussbach, heel cru en realistisch met als enig (maar ernstig) minpunt dat voor de gemakkelijkheidsoplossing werd gekozen, de koren van toneel te houden.

    En tenslotte de Chereau-produktie, nog seeds de beste, realistisch en toch visueel heel mooi (ik ken ze wel enkel van de DVD). Wat een grote regisseur hebben we toch in hem verloren!

    Zondag ga ik naar de nieuwe Munt-produktie, ik hou mijn hart vast voor de enscenering van Warlikowski (maar probeer wel zoals altijd er open voor te staan). Maar ik kijk alleszins uit naar het werk!

    Ook toch even zeggen dat Aljeja bezetten met een tenor eigenlijk een fout is, ook al is dat in de Chereau produktie ook zo. Het mag dan scenisch realistischer zijn, Janacek heft opzettelijk de rol voor sopraan geschreven opdat het personage door zijn zachtheid zou contrasteren met zijn ruwe entourage.

  • Stefan Caprasse zei:

    Tot mijn opluchting viel de enscenering -voor mij- al bij al nog mee… Het was natuurlijk een moderne gevangenis, die me soms meer deed denken aan die uit ‘Professor T.’ dan aan Siberië…

    Het geheel kwam soms ook wat chaotisch over (vooral het einde van II) en er waren vaak teveel scenegeluiden – maar dat kalmeerde wel naar het einde toe…

    De verhalen van de gevangenen werden min of meer scenisch uitgebeeld of maakten -in het geval van Skouratov- in II al deel uit van de toneeluitvoering.

    De basket-ball speller-danser was inderdaad ‘de Adelaar’.

    Dat Aljeja hier door een tenor gezongen wordt (ook al blijf ik het muzikaal verkeerd vinden) heeft wel het ‘komische’ effect dat hij hier van in het begin van II in vrouwenkleren ronloopt (voor de vertoning), effect dat natuurlijk verloren zou gaan als “hij” door een sopraan zou gezongen worden…

    Er waren natuurlijk die amper ter zake doende filmpjes mét ondertittels (storend tijdens de prelude!) maar op die momenten heb ik me net zoals Franz Straatman uitsluitend op het orkest gefocusd. En het waren er toch ZOveel niet…

    Maar over het algemeen werd de ‘handeling’ (verassend) goed gevolgd (voor Warlikowski!)

    En voortreffelijke bezetting (en goed acterend!)waarin ‘veteraan’ Willard White eigenlijk iets meer had mogen opvallen…
    Uitstekende koren en -vooral- een werkelijk fan-tas-tisch klinkend orkest!

    Alles bijeen een redelijk goede produktie dus maar de eerder door mij geciteerde versies blijven (Chereau op kop) hoe dan ook wel onvergetelijker.

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.