Recensies

Homoki ziet Nabucco als familiekwestie

In veel families is sprake van een ‘kwestie’ die voor verdeeldheid kan zorgen. Niet nagekomen toezeggingen, een betwiste erfenis, de positie van buitenechtelijke kinderen… In huize Nabucco is het niet anders. Regisseur Andreas Homoki heeft de verstoorde idylle van de zusjes Abigaille en Fenena tot het kernpunt van zijn nieuwe productie van Verdi’s opera bij De Nationale Opera gemaakt.

Papa en twee kleine meisjes worden zo nu en dan ten tonele gevoerd om gelukkiger tijden op te roepen. (© DNO / Martin Walz)

Naar algemeen wordt aangenomen is onder de regering van de Babylonische heerser Nebukadnezar II de sociale bovenlaag van de bevolking van de vazalstaat Judea weggevoerd naar Babylonië, vermoedelijk omdat het zijn verplichtingen niet nakwam. Na ongeveer een halve eeuw krijgen deze Joden van de Perzische koning Cyrus, die inmiddels de macht in Babylon heeft overgenomen, toestemming om terug te keren. Een deel blijft echter in Babylon wonen en zal daar tot in de twintigste eeuw een grote Joodse gemeenschap vormen.

Het personage Nabucco in de opera van Giuseppe Verdi en librettist Temistocle Solera is een hybride van Nebukadnezar en Cyrus. De ballingschap is teruggebracht tot een periode van een paar jaar; de oude hogepriester Zaccaria leeft immers nog steeds en Fenena en Ismaele zijn nog steeds niet getrouwd.

Regisseur Andreas Homoki heeft zich van deze historische ballast willen ontdoen en minimaliseert tevens het belang van de strijdvraag – welk kamp de sterkste god heeft, de Joden of de Babyloniërs – tot een terzijde in de familiekwestie rond de heerser Nabucco en zijn twee dochters. Papa en twee kleine meisjes worden zo nu en dan ten tonele gevoerd om gelukkiger tijden op te roepen. Daarmee wordt het belang van Zaccaria’s rol sterk verminderd en krijgt Ismaele zo’n beetje de meestal aan vrouwen voorbehouden rol van ingénu. Hij is Fenena’s kwetsbare geliefde en dat alleen bepaalt zijn handelen.

De Italiaanse sopraan Anna Pirozzi (linksvoor) zong de sterren van de hemel als Abigaille. (© DNO / Martin Walz)

Koren vormen in deze productie vooral een entourage, dan weer de ene, dan weer de andere groep representerend. Men gaat gekleed in zandkleurige kostuums (Wolfgang Gussmann en Susana Mendoza), die karikaturaal Frans aandoen, vooral door de karakteristieke baretten. Hogepriester Zaccaria draagt er ook één, wat hem het uiterlijk geeft van een dorpsnotabele op weg naar de mis. Moeilijk om zo de enorme autoriteit uit te stralen die zijn personage wordt toegeschreven.

De opera toont een einde dat kan worden opgevat als het aanbreken van een nieuwe tijd, waarin het veelgodendom moet wijken voor de cultus rond een enkele god, met veel bravoure uitgedragen door de hogepriester Zaccaria. Het is echter goed te bedenken dat na Nebukadnezar nog een millennium zou verstrijken voor het monotheïsme daadwerkelijk de maat der dingen was geworden in de oude wereld.

Een enorm smaragdgroen blok, feitelijk een dikke plaat, is het enige decorstuk (Wolfgang Gussmann). Dat smaragdgroen komt terug in de jurken van de Babylonische vrouwen. Abigaille draagt de gehele voorstelling zo’n groene baljurk, terwijl Fenena een groot deel van de tijd in haar onderjurk rondloopt, met Ismaeles overjas over haar schouders. Later is ze gekleed in een lichtgekleurde jurk met daarover een crèmekleurige lange jas. Zo onderscheidt de Babylonische prinses zich uiterlijk van haar eigen volk en maakt ze haar affiniteit met het Joodse volk zichtbaar.

Het groene blok kan ronddraaien en zodoende het toneel in delen opsplitsen. Daarvan wordt inventief gebruikgemaakt om gelijktijdige handelingen in verschillende ruimtes te suggereren. Maar ook komt het voor dat het koor als het ware van het toneel wordt geveegd. Rekwisieten zijn schaars: een document met Abigailles afkomst, een kroontje. Donder en bliksem blijven uit. Nabucco’s ineenstorting is het gevolg van het ingrijpen van onzichtbare machten.

De koren vormen in deze productie vooral een entourage, hier met op de voorgrond Alisa Kolosova als Fenena. (© DNO / Martin Walz)

Ismaele werd glansrijk vertolkt door de Brits-Italiaanse tenor Freddie De Tommaso. Hij staat nog aan het begin van zijn carrière, maar daar was tijdens de première op maandagavond weinig van te merken. Jammer dat hij verderop in het stuk zo weinig te zingen heeft. Ik had graag meer van hem gehoord.

Over de Zaccaria van Dmitry Belosselskiy was ik na enige aarzeling toch goed te spreken. Hij zingt met betrekkelijk veel vibrato en komt wat volume tekort in de kelderdiepe tonen die een belangrijk onderdeel van zijn partij vormen. Wat niet meewerkt, is dat zijn personage zich veel meer vrijheden veroorlooft dan een vertegenwoordiger van een groep ballingen redelijkerwijs zou zijn gegund. Dat maakt hem nogal ongeloofwaardig, zeker in dat kostuum.

Zijn tegenhanger als representant van een groepering kwam over het geheel genomen beter uit de verf. De Roemeense bariton George Petean was een herkenbare Nabucco. Duidelijk een heerser die zich nauwelijks wenste te verwaardigen om met die Joden in gesprek te gaan, maar die ongemeen verontrust was over de vijandige houding van Abigaille tegenover haar zusje Fenena. Wat hij niet weet, is dat Abigaille reeds op de hoogte is van haar feitelijke afkomst. Ze is de dochter van een bijvrouw van lage rang; slavin is een te groot woord.

Petean zette een oudere man neer, die zich onkwetsbaar voelt, zozeer dat hij zichzelf tot god verheft, en vervolgens de menselijke maat der dingen hardhandig ingewreven krijgt. Goed gezongen, sterk optreden.

Van de twee zussen heeft Fenena de kleinste rol, in goede handen bij de Russische mezzo Alisa Kolosova. Haar gedrag in de opera is weinig geloofwaardig: bekering omwille van de liefde of gewoon om een greep naar de macht te kunnen doen onder de vlag van een nieuwe godheid, wie zal het zeggen?

De Italiaanse sopraan Anna Pirozzi zong de sterren van de hemel als Abigaille, zo ongeveer haar paraderol. Ze was overtuigend als de bitch van dienst, the woman scorned, wraak nemend op haar vader, die tot dan toe haar werkelijke afkomst als een troefkaart voor zijn borst had gehouden. Ze had mijn sympathie: hij had erom gevraagd. Het eerste deel van de tweede akte heeft Abigaille vrijwel voor zichzelf en daar maakte ze dankbaar gebruik van, te beginnen met de aria ‘Anchío dischiuso un giorno’ en vervolgens met muzikaal vuurwerk in ‘Salgo già del trono aurato’.

Nabucco staat bekend als de ultieme kooropera en dat klopt wel. Door verschillende groepen uit beide kampen op te voeren als menigte heeft Verdi de mogelijkheid gecreëerd om veel koorzang in het stuk te verwerken. Uiteraard een kolfje naar de hand van het veelgeprezen koor van DNO en zijn dirigent Ching-Lien Wu. Zangtechnisch was het allemaal voortreffelijk. Muzikaal vind ik de bijdrage van het koor zeker in de eerste bedrijven wat te nadrukkelijk (ander woord voor lawaaiig), maar zo heeft Verdi het geschreven.

In het beroemde ‘Va, pensiero’ is daarvan geen sprake. De slepende melodie straalt vooral rust, maar ook berusting uit. Niet geheel onverwacht bleek dit de mooiste bijdrage van het koor aan deze alleszins geslaagde première. Het Residentie Orkest stond onder leiding van Maurizio Benini.

Nabucco is nog tot en met 22 februari te zien. Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

Vorig artikel

Lilian Farahani zingt Susanna in Nancy

Volgend artikel

Cité de l’Opera: Poe, Joyce en Reynaldo

De auteur

Peter Franken

Peter Franken