Overtuigingskracht redt Bartolishow
Monique ten Boske is al enkele dagen in Salzburg voor het Pinksterfestival. In deze recensie staat Celilia Bartoli centraal.
Op zondagavond 24 mei veranderde het Großes Festspielhaus in Salzburg in een Fellini-achtige herinneringsmachine. Met Ciao, bella ciao – Voyage de ma vie presenteerde Cecilia Bartoli geen operagala, maar een persoonlijk muziektheaterportret: een revue vol jeugdherinneringen, Italiaanse canzoni, familieanekdotes, televisie-esthetiek en flarden opera. Het publiek wist de voorstelling massaal te vinden; de ruim tweeduizend plaatsen waren uitverkocht, ondanks kaartprijzen die voor de beste rang richting de driehonderd euro gingen.

Bartoli had vooraf aangekondigd dat dit geen traditionele avond zou worden. In het festivalboek beschrijft ze hoe muziek haar jeugd volledig bepaalde: van de coulissen van Aida in de Thermen van Caracalla tot autoritten naar zee waarop Italiaanse hits luidkeels werden meegezongen. Muziek was in haar familie geen verheven kunstvorm, maar een dagelijkse vanzelfsprekendheid. Die gedachte vormt ook het hart van deze voorstelling.
Regisseur Davide Livermore bouwt daar een bont, overdadig universum omheen. Het begin is meteen meta-theatraal: het publiek kijkt naar een toneel waarop Bartoli zogenaamd net heeft opgetreden. In blauwe veren en rode cape – een knipoog naar Farinelli – wordt zij tijdens een repetitie lastiggevallen door opdringerige interviewers die meer willen horen dan de bekende succesanekdotes en wat al op wikipedia staat.

Bartoli reageert even geërgerd, maar geeft zich uiteindelijk gewonnen. Daarmee ligt meteen het centrale thema op tafel: de spanning tussen publieke diva en private herinnering. Wat volgt is een caleidoscopische revue waarin decorstukken, videoprojecties, natuurlijk met artificiële intelligentie, en diverse muzikale stijlen elkaar in hoog tempo afwisselen. Een Fiat Cinquecento, bussen, treinwagons en cruiseschepen verwijzen naar reizen, Italië en internationale carrières. Popart beelden met tomatenblikken en “Ciao, bella ciao”-logo’s kleuren het podium, terwijl twaalf dansers in geruite overhemden met lp’s over het toneel bewegen. Dat is overigens een echt artistiek interessant grafisch moment in de voorstelling.
Het orkest Les Musiciens du Prince onder leiding van Yvan Cassar speelt zeker niet alleen barok en belcanto, maar krijgt ook een volledige ritmesectie en instrumentarium voor een showorkest mee. Opvallend is dat Bartoli de hele avond volledig versterkt zingt. Aanvankelijk hoop je nog dat het functioneel voor de gesproken scènes, maar al snel blijkt dat de volledige voorstelling in showstijl is opgezet. Dat zal niet iedereen hebben verwacht. Zeker niet in Salzburg, waar Bartoli’s naam toch in de eerste plaats verbonden blijft aan haar virtuoze Rossini- en Händelvertolkingen en daar ook echt publiek voor is.

Wie hoopte op een avond vol opera-aria’s komt bedrogen uit. Het barokrepertoire blijft beperkt tot enkele korte momenten, waaronder Flarden uit ‘Lascia la spina’. Uit het belcanto klinken slechts een paar fragmenten. De hoofdmoot bestaat uit Italiaanse populaire muziek uit de jaren zestig en zeventig, repertoire dat Bartoli nadrukkelijk niet als crossover presenteert, maar als onderdeel van dezelfde muzikale traditie.
Dat werkt verrassend goed in de nummers van Rita Pavone, duidelijk een van Bartoli’s jeugdidolen. Viva la pappa col pomodoro en Il Geghegè krijgen van haar precies de juiste lichtheid, branie en ritmische flair. Ze beweegt zich daarin met zichtbaar plezier tussen revue, musical en variété.
De sterkste momenten ontstaan wanneer humor en autobiografie samenvallen. Een scène in een nonnenschool, waar de kleine Cecilia naar toe gestuurd werd, lijkt te impliceren dat ze daar geslagen werd, maar verandert in een absurd-komische choreografie met dansende nonnen in habijt die het heerlijke ‘I will follow him’ zingen (ook bekend uit Sister act). In Leroy Andersons ‘The Typewriter’ wordt een kantoorbaan ritmisch vertaald naar een geestige showact. Een jarenzestigkeuken vormt vervolgens het decor voor herinneringen aan haar moeder, bij wie Bartoli tussen het koken door zangles kreeg.

Ontroerender wordt het wanneer een historische opname klinkt van haar moeder, Silvana Bazzoni Bartoli, die rond 1950 Violetta’s aria zingt*. Cecilia vertelt dat haar moeder toen pas 22 was. Misschien ontdekt een slim rekenende lezer weer iets over de leeftijd van Bartoli‘s moeder wat niet op wikepedia staat. Wanneer blijkt dat zij daadwerkelijk in de zaal aanwezig is, volgt een langdurig applaus. Natuurlijk is dit hartstikke geënsceneerd en want de volgspot is er ook meteen, maar even valt de voorstelling stil en krijgt de persoonlijke dimensie echte emotionele kracht. Hetzelfde gebeurt met betrekking tot de dood van haar broer en foto’s van hem met oma op de fiets in New York. Over haar zus die vroeger altijd mee, was zwijgen Cecilia en het programmaboekje in alle talen (Engels en Duits).
Ook politiek en familiegeschiedenis krijgen een plaats. Bartoli vertelt over haar antifascistische grootvader, die tijdens het fascisme weigerde te zingen en te werken. Voor hem zingt zij Bella Ciao, het beroemde partizanenlied dat in deze context niet alleen een Italiaans icoon wordt, maar ook een eerbetoon aan verzet en persoonlijke integriteit.

Natuurlijk ontbreekt in Salzburg ook The Sound of Music niet. Bartoli stort zich met zichtbaar plezier op het openingslied, compleet met theatrale uitvergroting van koeien en dansers en aansluitend zelfs een jodelaria. Het publiek krijgt hier exact waarvoor deze avond bedoeld lijkt: entertainment, nostalgie en zelfspot.
Toch ontstaat gaandeweg ook een zekere onevenwichtigheid. De revuevorm houdt de avond levendig, maar door de voortdurende opeenvolging van stijlen, scènes en visuele vondsten verliest het programma soms focus. Bovendien blijft de operazangeres Bartoli opvallend op afstand. Pas laat in de avond komt het moment waar velen vermoedelijk op wachtten: Casta diva uit Norma. Tegen een decor van een langzaam draaiende wereldbol zingt Bartoli de aria met grote concentratie en beheersing. De zaal wordt plots muisstil. Hier vallen theatrale verpakking en muzikale inhoud eindelijk volledig samen.

Maar juist daardoor wordt ook voelbaar wat de rest van de avond grotendeels ontbeerde. Na Casta diva volgt alweer Tony Renis met Quando, Quando, Quando en zakt de opgebouwde spanning direct weg. Alsof de voorstelling zelf niet goed durft te kiezen tussen operagala en nostalgische variétéshow.
In de pauze bleek die dubbelheid onderwerp van gesprek. Sommige bezoekers genoten zichtbaar van de lichte, persoonlijke sfeer en zagen de voorstelling vooral als een feestelijke avond uit. Anderen misten opera, onversterkte zang en de muzikale diepgang die zij met Bartoli associëren. Vooral het uitgebreide gebruik van versterking verraste velen.
Ciao, bella ciao laat uiteindelijk vooral een andere Cecilia Bartoli zien: niet de musicologe die vergeten barokopera’s opgraaft of de fenomenale coloratuurmezzosopraan die moeiteloos over orkesten zweeft, maar een performer die haar eigen jeugd, Italië en carrière omzet in een groots opgezette revue. Soms geestig, soms ontroerend, soms overdadig, maar altijd volledig door haar persoonlijkheid gedragen. Er was mild boegeroep hoorbaar aan het einde van de voorstelling.

Bartoli moet je dit misschien inderdaad maar vergeven. Omdat ze, zelfs wanneer ze zich verliest in nostalgische variété, nog altijd iets bezit wat maar weinig artiesten hebben: totale theatrale overtuigingskracht.