Bevroren momenten in het Opera Forward
Na de aftrap met Theory of Flames op het grote podium vorige week, gingen dit weekend drie andere opera’s tijdens het Opera Forward Festival in première, naast natuurlijk het grote aanbod in de randprogrammering. Peter ’t Hart was bij Requiem for Mariza, eveneens op het hoofdpodium, en The Knife of Dawn in Studio Boekman. Tussendoor zag hij nog Moeras! in één van de OFF Labs. Waar Theory of Flames* duidelijk geënt was op het thema van dit jaar, namelijk Conflicting realities, en ook Requiem for Mariza hier nauw bij aansluit, is de connectie met het politieke The Knife of Dawn wat losser. Maar deze kameropera is dan ook niet geschreven voor het festival, de première was 10 jaar geleden. Grote overeenkomst tussen beide werken (Requiem en Knife) is een hoofdpersoon in verzet, daarbij geplaagd door hallucinerende beelden.

Hallucinerende Martin Carter
De bezetting van deze kameropera van Britse componist Hannah Kendall is klein: een harp en drie strijkers, en een bariton met drie zangeressen. De opera speelt in 1953/54 en leuk detail is dat alle acht in deze productie gekleed zijn in jaren ’50 kleding. De bariton is de Guyanese activist en dichter Martin Carter. Hij verzette zich tegen de Britse overheersing van Guiana, werd opgepakt en ging in hongerstaking. Gedurende zijn opera-monoloog gaat hij hallucineren en hoort hij vrouwenstemmen. Maar hij zet door om zijn politieke doel te bereiken. Een stevige en goed gezongen rol van Sakhiwe Mkosana.

Mkosana is goed op dreef: qua zang met gedurende het hele uur volle, ronde klanken met prettig vibrato, en qua spel ook: hij heeft nauwelijks speelruimte om zijn rol uit te beelden, maar weet toch een verhaal te vertellen. Knap ook van regisseur Gavin-Viano, die voor het eerst een opera regisseert. Met een monoloog zonder veel plotverwikkelingen (de opera is een soort bevroren moment van Carters tijd in gevangenschap) lijkt me dat een hele klus. Er is wel afwisseling, dan weer gaat het over Britse overheersing in andere landen, waar gelijktijdig protesten uitbraken, dan weer over Carters idool Quamina, dan weer over zijn vrouw of ongeboren dochter en dan weer over dichten als vorm van verzet. De teksten (Tessa McWatt) zijn dan ook grotendeels afkomstig uit zijn brieven of gedichten. Maar toch zou het snel eentonig kunnen worden of in herhaling kunnen vallen. Gavin-Viano weet die valkuil goed te omzeilen.
De cel van Carter lijkt te zweven; naarmate hij zijn hongerstaking doorzet, vallen er steeds meer spullen van het platform op de grond, dan weer schijnbaar per ongeluk, dan weer als verzetsdaad. Zo krijgt de performance toch richting, want zoals Carter concreet gesproken gewicht verliest, zo blijft er ook niks op het plateau dan een politiek getinte witte doek. Meer symboliek vinden we op de achtergrond: de achterdoeken zijn flarden geworden, net als -zo vul ik in- het afgetakelde lijf van Carter. Ook is er een wind gaan waaien, een nieuwe wind dan wellicht, want Guiana zou enkele jaren later (in 1966) onafhankelijk worden. Met sfeervol gekozen belichting wordt er ook afwisseling bereikt. Door de jaren ’50 kleurtinten in licht en decor, zien de verschillende beelden in de opera (waarbij we dus steeds kijken naar Carter in zijn cel) er stuk voor stuk mooi uit.
De drie zangeressen (Sanda Audere, sopraan, Roos van Herrewegen, sopraan en Suzanne Verburg, alt van Capella Amsterdam) zijn ook goed op dreef, al zijn zij in deze productie niet goed te zien, wat op zich niet erg is. Van hen worden in deze opera eveneens dragende solo’s verwacht, die zij dan ook ten gehore gaven. De vier musici, Jeanita Vriens, Annemijn Bergkotte en Anastasia Feruleva uit het Ragazze Quartet en harpiste Doriene Marselje, vaak tokkelend, maar soms ook strijkend, beheersen de ingewikkelde partituur eveneens uitstekend. Heel fijn om ook deze keer (net als de vorige keer dat ik hier was met de Nationale Opera Studio) onversterkte zang te horen. Mijn indruk is dat Studio Boekman een merkwaardige, maar wel goede akoestiek heeft.

Transitie
Niet historisch, maar eveneens een “bevroren moment in de tijd” is het Requiem for Mariza. De vraag die hier ten grondslag ligt, is: hoe is het om dood te gaan? Gedurende de vijf kwartier die het werk duurt, zien we een vrouw (Mariza dus) die in transitie is van levend naar dood. Zo bevat deze voorstelling het witte licht, de tunnel, de flashbacks naar jeugdherinneringen en een “laatste oordeel” waarbij kenmerken van haar leven worden voorgelezen door beschermengel (?) Ra. Zo visualiseert deze opera wat mensen met een bijna-dood-ervaring zeggen te hebben ondergaan en biedt het werk een compleet en imponerend beeld van het akelige maar ook serene moment van sterven. Wat ik zelf heel knap vind.

Voor mezzosopraan Nina van Essen is het een hele klus. Haar rol bevat hoge noten, lage noten, en omvat meer dan de vijf kwartier die de opera duurt, ze is immers al op het podium voor aanvang. Ook is het Van Essen die we meestal horen zingen. Het is wel zo dat de tekst van het Requiem van begin tot eind gezongen wordt door het koor (men zingt niet In paradisum, bedoeld immers voor de processie, maar wel Libera me), vaak in een serene en monotone ligging. Maar eenvoudig is het zeker niet, daarover verderop meer. Waar andere componisten eindeloos herhalen, houdt Meriç Artaç het simpel. Het koor voert het ritueel uit en behandelt iedere tekst in principe maar één keer. Zo vliegt het Sanctus en daarna het Benedictus voorbij, terwijl andere componisten daar gerust een kwartier voor uittrekken.
Nee, waar we vooral naar luisteren is dus de zang van Mariza. Zij wil niet sterven, ze is in verzet. Haar gedachten, gestuwd door paniek, schieten alle kanten uit. Pas aan het eind weet ze het aardse los te laten, ze wordt -mooi gevonden- onderdeel van het koor. De transitie van individu naar “alziel”, van organisch naar “data” loopt als een rode lijn door het werk. Dit door prachtige beelden van LOREM en Francesco D’Abbraccio ondersteund. Vaak zien we hier de aftakeling, de ontbinding waar ook over wordt gezongen. De bloemen in de tuin van oma (een vroege jeugdherinnering) zijn eigenlijk net de stokkende organen van de (in een andere wereld) stervende Mariza. Ook danseres Annet de Ruiter is een sterke toevoeging van de beeldtaal. Zij speelt die op aarde zijnde Mariza en haar rol in deze opera begint met eindeloos vallen: we staan als het ware stil in het moment dat Mariza als een gevolg van haar sterven in elkaar zakt. Geweldig uitgebeeld door De Ruiter: zeker gezien we de smak met de vloer regelmatig ook kunnen horen. Het lijkt even of zij te midden van de videobeelden een hologram is, maar niet dus.

Naast beide vrouwen hebben we sopranist Mayaan Licht als Ra. Hij zingt ongeveer zo hoog als Van Essen en krijgt een wat uitgebreidere solo in de vierde scène (de vierde cyclus, die overeenkomt met het vierde stadium van rouw: depressie). Door de hele opera heen (in vijf cycli dus) heeft Licht ingewikkelde kwinkelerende fluitpassages. Het is allemaal erg knap, maar bovendien: het vult het beeld van het sterven goed aan. Want waar Mariza zich verzet tegen de dood, probeert Ra haar juist naar de nieuwe realiteit en die algemene kosmos toe te lokken. Het leven is immers maar een raar kort moment op een specifieke plek. Zowel Licht als Van Essen werden subtiel versterkt, maar niet storend.

Leden van het Koor van De Nationale Opera (ingestudeerd dor Edward Ananian-Cooper) tenslotte heeft me ook enorm verrast. Vijf koorsolisten lieten zich al erg goed horen, ook waren er bijzonder lage basnoten (al is vanwege het digitale component niet helemaal zeker of de klank bewerkt is, maar ik denk het niet) en regelmatig werd er dissonant gezongen. Het koor was het rustpunt in de opera, en als gezegd de plek waar Mariza uiteindelijk ook haar rust vindt. De essentie ook van het woord ‘requiem’, zoals u wellicht ook weet.
Heel mooi aan de compositie, van Artaç dus, is dat de muziek de hele tijd lijkt te zweven. De grondtoon is regelmatig zoek. Zo beeldt zij die kosmos uit. Maar ook hebben we regelmatig vallende geluiden of vallende lijnen: bevroren in de tijd is Mariza immers alsmaar aan het vallen tot zij haar bestemming bereikt. Zelfs zijn er pizzicato noten op de strijkers die met een glissando worden gespeeld. Dat heb ik denk ik nog niet eerder gehoord. En er is een Chinese viool, een erhu (gespeeld door Zheng Sun) die een aantal mooie solo’s heeft, bijvoorbeeld aan het begin en eind van de eerste cyclus, en met haar zwevende geluid de nieuwe wereld tot leven roept.
Bevroren moment
Qua thematiek aansluitend bij Requiem for Mariza zag ik ook nog een korte, experimentele opera, namelijk de opera Moeras. Leuk hoe er in het souterrain een moeras wordt uitgebeeld met klank en licht. De zang komt pas laat in dit werk, de drie ‘witte wieven’ blijken dan de zangeressen te zijn, ik gok een alt, sopraan en mezzo. Twee actrices zitten vast in dit moeras, en ook hier lijkt het een bevroren moment te zijn van leven naar dood, maar helemaal duidelijk was dat niet. De korte opera laat zich samenvatten als een nog niet volmaakt experiment van jonge makers, zoals OFF Labs daar ook ruimte voor biedt.

Conclusie
Beide werken Requiem en Knife zijn misschien niet voor iedereen weggelegd, gezien er heel weinig in gebeurt. Het gaat over in de tijd bevroren momenten. Maar in beide werken is de premisse mijns inziens zeer goed uitgewerkt, wat naast een interessante en goed uitgevoerde compositie ook erg mooie beelden oplevert. Daarmee steken ze zeker Theory of Flames naar de kroon, die ik wat gemaakt en vergezocht vond. Hopelijk weet het publiek de beide opera’s dus te vinden.
Verder kijken en luisteren
*Recensie van Franz Straatman van Theory of flames.
Aria uit Requiem for Mariza door Nina van Essen
Verslag van weekend één van het OFF