DNO Simon Boccanegra om intelijsten
De Nationale Opera sluit het seizoen gewoontegetrouw af met een voorstelling in het kader van het Holland Festival, waarbij het Koninklijk Concertgebouworkest in de bak zit, ditmaal onder leiding van Fabio Luisi. Op diens aangeven werd gekozen voor Giuseppe Verdi’s late meesterwerk Simon Boccanegra. Een regieteam onder leiding van Jetske Mijnssen was verantwoordelijk voor de enscenering. De première op 4 juni was een groot succes: jubel alom waarin alle medewerkenden werden betrokken.

Simon Boccanegra ging in 1857 in première in Venetië. Verdi was tijdens de voorbereiding nog druk doende in Parijs met Les vêpres siciliennes waardoor het een beetje een haastklus werd. Dat gevoegd bij het feit dat het werk gaat over Venetië’s aartsrivaal Genua, maakt achteraf de matige ontvangst van deze opera wel enigszins begrijpelijk. Simon Boccanegra raakte nog net niet in de vergetelheid, maar een succes vergelijkbaar met Verdi’s werken uit zijn rijpe periode bleef uit.
In 1881 ging een compleet omgewerkte versie in première met een klankbeeld waaruit duidelijk blijkt dat de componist inmiddels zijn topwerken Don Carlos en Aida heeft voltooid. En dat niet alleen: bij de herziening gingen Verdi en zijn librettist Arrigo Boito het gehele werk door waardoor het soms wel een anthologie van Verdi’s muzikale stijlen lijkt. Ook voegden ze een grote scène toe waarin de verschillende facties met elkaar slaags raken in de raadzaal en Boccanegra met veel moeite de rust weet te herstellen. Het kan worden gezien als metafoor voor de politieke situatie in Italië, zo kort na de vorming van een eenheidsstaat waarin politieke en regionale verschillen nog vaak de boventoon voerden. Boccanegra verwijst zowel naar Petrarca als Rienzi in zijn oproep tot verzoening en eenheid, alles voor Bella Italia. Het helpt even, tot de volgende geweldsuitbarsting. Boccanegra toont zich hier een leider die al vaker met dit bijltje heeft gehakt maar ook aan het einde van zijn weerbaarheid is gekomen. Een kwart eeuw als heerser gaat niemand in de koude kleren zitten. Vandaar ook de aan onverschilligheid grenzende berusting waarmee hij zijn vijanden tegemoet treedt die hem dood wensen of gewoon ter plekke willen vermoorden.
1881
Mijnssen heeft de handeling verplaatst van de 14e naar de 19e eeuw, om precies te zijn 1881, het jaar waarin de revisie in première ging. De kostuums van Hannah Clark geven hiervan een getrouw beeld; je kan de protagonisten zo zien rondwandelen in het Parijs van Haussmann. Het decor van Etienne Pluss bestaat uit meerdere hoge met elkaar verbonden ruimtes in grijsgroene kleuren. Met behulp van losse wanden en gordijnen en de fraaie belichting van Valeria Tiberi, kunnen ze verschillende configuraties aannemen waardoor zowel een intieme huiselijke omgeving als een enorme raadzaal kunnen worden gecreëerd.
Afgezien van een paar kleine details volgt Mijnssen het libretto op de voet. Opvallend is de introductie van Amelia Grimaldi, pleegdochter van de rijke Andrea Grimaldi (schuilnaam voor de patriciër Jacopo Fiesco) als schooljuffrouw. Ze leeft weliswaar in een gouden kooi, maar heeft daarin wel haar eigen leven vormgegeven. Naar 19e -eeuwse begrippen is ze de huwbare leeftijd al ver voorbij op haar 28e (?). Om nog te zwijgen van die uit de 14e eeuw. Fiesco heeft kennelijk een huwelijk afgehouden om zijn ware identiteit niet prijs te geven, maar tevens vanwege de onduidelijke achtergrond van Amelia. Ze is geen dochter uit de door Boccanegra verdreven Grimaldi familie, maar een onbekende wees die door Fiesco is geadopteerd als pleegdochter. De ironie wil dat zij in werkelijkheid zijn kleindochter is, geboren uit de relatie van zijn dochter en zijn grootste vijand Simon Boccanegra. Zo gaat het vaak in de opera: iedereen houdt zijn kaken op elkaar zodat misverstanden en verdenkingen vrij spel hebben tot alles uit de hand loopt. Als dan de waarheid aan het licht komt zijn er meestal al wel een paar doden gevallen.
De keuze van Mijnssen om er een 19e eeuws kostuumdrama van te maken ging in mijn beleving iets te ver tegen het einde. Door dit op te tuigen met een kapel, priesters en een bruidspaar in vol ornaat met de Amelia’s leerlingen als bruidsmeisjes werd de aandacht sterk afgeleid af van Boccanegra’s doodsstrijd. Normaal gesproken is dat een zeer emotioneel einde dat nu ook nog eens werd ondergesneeuwd door het gehannes met de Dogekroon (in de vorm van een blauwe sjerp) die Adorno moest worden omgehangen. Om te benadrukken dat het in de politiek nooit iets wordt als mannen het voor het zeggen hebben, neemt Amelia die sjerp over en toont zichzelf als Boccanegra’s opvolger. In deze regie geen grootste sterfscène, maar een haast onopvallend inslapen van Boccangera.

Top cast
Bariton Germán Olvera beviel mij zeer als Paolo Albiani, de man die ooit ervoor had gezorgd dat Boccanegra tot Doge werd gekroond. Als die botweg weigert namens hem om Amelia’s hand te vragen, knapt er iets in hem. Een vergelijking met Iago ligt voor de hand, maar gaat mank. Paolo voelt zich persoonlijk geschoffeerd door de man die hij een kwart eeuw trouw heeft gediend. Hij laat Amelia ontvoeren en als dit mislukt treft hem de ultieme vernedering: Boccanegra laat Paolo zichzelf vervloeken. Dan pas is er sprake van wraak, al kost hem dat zelf het leven.

Tenor Riccardo Massi zette alle registers open als een flamboyante Gabriele Adorno, sterk gezongen, maar wellicht een tikje teveel Duca di Mantua. Bij George Zeppenfeld is het noemen van zijn naam eigenlijk al voldoende. De bas ‘van dienst’ tijdens al zovele edities van de Bayreuther Festspiele was een ideale bezetting van de rol van patriciër Fiesco. Een man die zijn hele leven al aan de touwtjes trekt, maar zelf nooit vuile handen maakt. Zijn vijandschap met Boccanegra komt voort uit klasse bewustzijn (patriciër versus plebejer) en het feit dat Boccanegra zijn dochter heeft verleid. Van een echte verzoening kan nooit sprake zijn, ook tegen het einde blijft het bij een oppervlakkige hand op de schouder. In de duetten van Fiesco met Boccanegra is de invloed van Don Carlos het meest direct te herkennen. Daar zijn het de koning en de grootinquisiteur, hier de voormalige piraat en de vertegenwoordiger van de gevestigde orde. Dankzij de proloog schenkt Verdi ons maar liefst twee van zullen momenten, de olifantenronde in de opera. Het was genieten geblazen, ik keek er sowieso al naar uit.

Als enige vrouw in het stuk is het hard werken voor de sopraan die Amelia vertolkt. Federica Lombardi toonde zich geheel tegen deze taak opgewassen. Spat zuiver en met volledige controle over haar zang en acteren, vormde ze het middelpunt van elke scène waarin ze optrad. Met haar gewenste echtgenoot Adorno had ze goed samenspel, maar in de ontmoeting met Boccanegra waarin stapje voor stapje hun familierelatie werd onthuld was ze op haar mooist. Het libretto spreekt (zoals altijd) direct van omhelzingen, maar hier liet de regie beiden lang aarzelen. Verder dan wat vluchtig contact tegen het einde van de scène kwam het niet, en dat is levensecht. Die twee hebben tijd nodig om alles te laten bezinken en zelfs aan het einde van de opera lijkt ze de gedachte van Boccanegra als haar verloren gewaande vader nog steeds niet echt geïnternaliseerd te hebben.

En dan de titelrol: daar kan ik kort over zijn. George Petean was absoluut top als de geplaagde heerser met familieproblemen. Vocaal was hij in grote vorm en zijn toneelprésence maakte hem in elke scène tot een geloofwaardige Doge die kan beschikken over leven en dood van zijn onderdanen. Voor een verdrag met Tartarië vraagt hij om instemming van de Senaat. Voor een doodvonnis hoeft hij niemand te raadplegen en dat ongemakkelijke aspect van zijn publieke personage was hem met de jaren steeds zwaarder gaan vallen. Petean wist dat allemaal over het voetlicht te brengen, een prestatie van formaat.

Genua
Fabio Luisi is afkomstig uit Genua en dat verklaart mede zijn grote affiniteit voor dit werk. Sowieso is hij al van jongs af aan zeer vertrouwd met Verdi maar Boccanegra neemt een speciale plaats in.
In een interview met Jenny Camilleri sprak hij hier zeer poëtisch over:
‘In de muziek hoor ik de zee, de golven. Het beste voorbeeld is het begin van Amelia’s aria ‘Come in quest’ora bruna’, dat mij doet denken aan het licht van de stad, het flakkerende licht op het water. Verdi creëert een doorzichtig, sprankelend effect door de strijkers in een hoog register te laten trillen, als flakkerend licht op het water.’
‘Als Boccanegra op het punt staat te sterven, denkt hij aan de zee. En dan horen wij die weer, als een golvende beweging in de altviolen.’

Met het Koninklijk Concertgebouworkest heeft Luisi een goed rapport, wat ongemerkt van invloed lijkt te zijn geweest op de wijze van spelen tijdens de première. Luisi stelt zich bescheiden op en het orkest volgt hem. Wat uit de bak kwam was zonder meer prachtige muziek, maar de dramatiek kwam vooral voor rekening van de zangers, zeker in de scènes waarin het koor (ingestudeerd door Edward Ananian-Cooper) zich in de handeling mocht mengen. Overigens maakten figurerende dansers in de mêlee veel werk van de nodige vechtpartijen waarin plebejers en patriciërs met elkaar op de vuist gingen.

Deze Boccanegra is een Verdi die DNO van mij mag inlijsten, samen met de Rigoletto uit 1996 van Monique Wagemakers.
Er volgen nog 7 voorstellingen en de opera is in het kader van het Holland Festival in Amsterdam in de openlucht te zien op het grote scherm in het Park Frankendael op 19 juni om 19.30 uur.
De voorstelling is ook opgenomen voor Mezzo en Medici TV. Informatie over de uitzenddata was nog niet bekend.
Verder kijken, luisteren en lezen
Jetske Mijnssen over Simon Boccanegra
George Petean was in 2021 en 2024 een geweldige vader Germont in La Traviata.
Federica Lombardi top in Verdi’s Requiem in 2023.
Simon Boccanegra is een co-productie met de Royal Ballet & Opera Covent Garden. In 2025 maakte Jetske Mijnssen daar haar regie debuut met een prachtige Ariodante.
Peter Franken over Simon Boccanegra in Salzburg in 2019