FeaturedOperarecensie

Heras-Casado debuteert glansrijk in Matinee

“Een mens kan alles doen, als hij maar wil.” Was het maar waar! En toch… voor sommige mensen gelden blijkbaar andere normen dan voor gewone stervelingen en alles wat ze aanraken verandert in goud. Pablo Heras-Casado is zo’n alleskunner. Zaterdag maakte hij een sensationeel debuut in de NTR ZaterdagMatinee.

Pablo Heras-Casado (foto: Felix Broede).
Pablo Heras-Casado (foto: Felix Broede).

De jonge Heras-Casado (1977) uit Granada, Spanje, werd onlangs door Musical America verkozen tot de dirigent van het jaar. Hij beheerst alle genres van de klassieke muziek: van barok tot modern en van kamermuziek tot opera. Hij dirigeert de grootste symfonieorkesten ter wereld, maar net zo lief staat hij voor het Freiburger Barockorchester en het Ensemble Intercontemporain. Met dat Franse gezelschap maakte hij zaterdag zijn debuut bij de NTR ZaterdagMatinee in het Concertgebouw.

Naast de werken van de twee vooraanstaande Italiaanse componisten uit het midden van de vorige eeuw vermeldde het programma een wereldpremière (Un minimum de monde visible uit 2013 van Yves Chauris) en kamermuzikale bewerkingen van liederen van Mahler en Schönberg. Voor de laatste twee werd één van de mooiste mezzo’s van onze tijd, Susan Graham, aangenomen.

Luigi Dallapiccola heeft het ooit mooi geformuleerd: “Ik geloof sterk in de eeuwige vernieuwing van de kunst. Maar ik ben er ook van overtuigd dat het krankzinnig is om de traditie de rug toe te keren.” Dat hij zijn uitspraak daadwerkelijk meende, heeft hij met zijn (nog steeds veel te weinig gespeelde!) composities ruimschoots bewezen.

Zijn intens lyrische Piccola musica notturna (zeg maar gerust Eine Kleine Nachtmusik), gecomponeerd tussen 1954 en 1961 en opgedragen aan Herman Scherchen, is sterk in de traditie verankerd. Een mooi stuk, dat zijn naam volledig dekt en waarbij je gerust kan wegdromen.

De uitvoering onder Heras-Casado was buitengewoon spannend, met vloeiende en (soms iets te) breed uitgesponnen lijnen. Soms had ik indruk dat hij het publiek aftastte, er was namelijk iets in zijn houding van ‘hoe ver kan ik gaan’…

Ver, blijkbaar, want al in het tweede stuk, het opdrachtwerk Un minimum de monde visible van Chauris, geïnspireerd op de Kammersymphonie van Schönberg, daagde hij het publiek behoorlijk uit. Het werk begon met een muisstille aanloop tot een ‘boem’, dan kwam er weer een stilte en dan weer een boem. Om het oneerbiedig samen te vatten: een compositie met veel stiltes, aftellen, tempoversnellingen (denk aan een locomotief), Japans aandoende klanken, wat kattengemauw en een paar mooie klanken ertussenin. Ik kon er geen structuur in ontdekken en het einde kwam voor mij veel te abrupt.

Susan Graham (foto: Dario Acosta).
Susan Graham (foto: Dario Acosta).

Het publiek gedroeg zich voorbeeldig en zelfs tijdens de meest stille passages was er geen kuchje te horen. De in de zaal aanwezige componist was zichtbaar gelukkig met de uitvoering en terecht: daar mankeerde helemaal niets aan.

Mijn geduld werd meteen erna beloond met een prachtige lezing van de kamermuziekversie van ‘Lied der Waldtaube’, een hartverscheurend mooi fragment uit Schönbergs Gurrelieder. Susan Graham kwam op mij een beetje afstandelijk over, alsof ook zij het publiek (dat overigens vanaf het begin uit haar hand at) aftastte. Zij zong zonder meer fantastisch, maar hield de emoties in bedwang, waardoor haar lezing wat onderkoeld aanvoelde.

Na de pauze revancheerde zij zich met een immens doorleefde vertolking van Lieder eines fahrenden Gesellen van Mahler. Hier bloeide haar stem op en trakteerde zij ons op warme, lage noten en een sensueel middenregister en sensuele hoogte.

De bewerking, van de hand van de mij totaal onbekende Eberhard Kloke (het blijft een raadsel waarom voor Kloke werd gekozen in plaats van de aangekondigde Schönberg) voegde er eigenlijk niets aan toe. Meer af, aangezien hij het instrumentarium behoorlijk reduceerde. Laten we zeggen dat het niet stoorde en dat het – mede door de prachtige voordracht van Graham en het zeer gedisciplineerd spelende ensemble nog even indrukwekkend bleef. Ook hier bewees Heras-Casado zijn onbegrensde vakmanschap.

Meteen na de pauze en tussen Chauris en Mahler in hoorden we nog een wonderschone Serenata nr.2 voor elf instrumenten van Bruno Maderna, ontstaan tussen 1954 en 1957. Het stuk sloot mooi aan bij Schönberg en was een passende aanloop tot Mahler, dus de wisseling in het programma (Chauris was in het programmaboekje aangekondigd voor na de pauze en voor Mahler) was niet meer dan logisch. Jammer alleen van de pauze tussen Schönberg en Maderna, ik had ze liever achter elkaar gehoord. Ook hier niet meer dan lof voor de musici en de dirigent, die – het moet gezegd worden – mijn hart volledig heeft gestolen.

Vorig artikel

Opera in de media: week 3

Volgend artikel

Discografie: Twee nieuwe Ringen

De auteur

Basia Jaworski

Basia Jaworski

3Reacties

  1. Remko
    13 januari 2014 at 21:47

    Een prachtig concert, helemaal mee eens. Jammer dat het recital van Susan Graham op 27 mei in de kleine zaal niet doorgaat, daar staat nu opeens Jennifer Larmore – wist niet dat die nog zong!

  2. d. tecker
    14 januari 2014 at 00:06

    @Remco: Jennefer Larmore zong afgelopen december in de Munt te Brussel in Ambroise Thomas’ opera Hamlet de rol van La Reine Gertrude en wel in zes voorstellingen.
    Heel vreemd dat het recital van Susan Graham en Malcolm Martineau op 27 mei niet doorgaat, want er werd na afloop door Hans Haffmans in het nieuwe programma aangekondigd dat de mezzo naar Amerika afreist om vervolgens in het seizoen Berlioz’ Les Nuits d’été met orkest uit te voeren en de rol van Octavian te zingen, met René Fleming als Marschallin. Het lijkt dus op een verkeerde/voorbarige planning van het Concertgebouw team. Er is dus geen sprake van verhindering door ziekte of iets dergelijks. Fijn voor de zangeres in kwestie en het muziekpubliek in Amerika. Jammer voor haar terechte bewonderaars hier.

  3. Remko
    14 januari 2014 at 10:52

    Bedankt d. – ik heb Larmore heel lang geleden ooit gezien, in Alcina, met Renee Fleming en Nathalie Dessay, maar dat was in een vorige eeuw.