Operarecensie

Kirchschlager intrigeert in Muziekgebouw

Geboeid luisterde het publiek in het Muziekgebouw aan ’t IJ zaterdag naar de poëzie die Angelika Kirchschlager met expressieve zang overbracht. De Oostenrijkse mezzosopraan toonde zich een uitstekende verteller, die het grote kleurenpalet in haar stem effectief wist in te zetten.

Angelika Kirchschlager. (© Nikolaus Karlinsky)

In de Serie Grote Zangers nodigt het Muziekgebouw regelmatig supersterren uit de zangwereld uit voor een liedrecital. Zo’n topzanger is Angelika Kirchschlager, die wereldwijd furore maakt met operarollen van Mozart en Strauss en een divers liedrepertoire. Samen met pianist James Sherlock bracht zij zaterdag een gevarieerd programma met bekende liederen van vier romantische componisten, Brahms, Schubert, Schumann en Liszt.

Als voorprogramma kreeg het publiek twee jonge talenten cadeau: countertenor Zoltan Darago en pianiste Luba Podgayskaya. Met een stem zo helder als een bergbeekje zong Darago Russische, Hongaarse en Franse liederen, met aanzienlijke controle en nuance. Met zijn repetitieve armbewegingen maakte hij nog wat onwennig contact met het publiek, wellicht omdat nog maar een handvol mensen door de zaal verspreid zat. Het deed denken aan het optreden van Kirchschlager een paar dagen eerder in TivoliVredenburg, toen maar de helft van Hertz gevuld was. Ongewoon voor een zangeres die in eigen land volle zalen trekt. Gelukkig liep de zaal zaterdag toch nog gezellig vol.

Gekleed in een turquoise jurk betreedt Kirchschlager het podium met flair. Vol bravoure gaat ze van start met Brahms’ ‘Meine Liebe ist grün’. Meteen blijkt de veerkracht en het rijke volume van haar stem, al is haar klank niet zo donker.

De korte liederen vragen om snelle sfeerwisselingen. Daarin blinkt Kirchschlager uit. In ‘Über die Heide’ weet ze nevel en geesten te verbeelden door een bijna hese, zachte stem te contrasteren met luidere uitroepen waar wanhoop in doorklinkt. Het lied eindigt met overtuigende vertwijfeling, die wordt versterkt door haar lichaamshouding en afgewende blik.

Deze beeldende manier van zingen brengt gedurende het hele concert de poëzie in de liederen tot leven. Sherlock en Kirchschlager brengen contrast aan met sterke tempo- en volumewisselingen en laten ook korte stiltes vallen. Zo schetsen ze fraai het innerlijke tumult en de daarmee verweven dynamische natuurbeelden in ‘Versunken’.

In ‘Therese’ speelt Kirchschlager ineens een ander personage. Ze legt een hand op de piano en neemt een uitdagende houding aan. Een lach gaat door het publiek, beantwoord door een speelse glimlach van de zangeres.

In ‘Von ewiger Liebe’ neemt ze verschillende rollen aan. Met een prachtig volle klank laat ze de jongen de oprechte angst uitspreken dat zijn lief hem zal verlaten. Vervolgens bevestigt het meisje met zo veel ernst en vastbeslotenheid de eeuwigheid van hun liefde dat er een lichte kinderlijke naïviteit in doorschemert, die ontroert. Een hoogtepuntje van de avond.

James Sherlock levert flonkerend pianospel.

Bij Schubert-liederen als ‘An Silvia’ en ‘Seligkeit’ toont Kirchschlager weer haar schalkse kant. Het publiek lacht en applaudisseert voorzichtig. Hier zien we iets van de operettezangeres die ze ook is.

Met ‘Gretchen am Spinnrade’ vertolkt ze de waanzinnige wanhoop en zwaarmoedigheid van het personage. Kirchschlager lijkt soms wat te blijven zingen vanuit personages, zonder echt in vervoering te raken. In het mooie ‘Lied des Florio’ bereikt ze die oprechtheid ineens wel.

Tijdens het Schubert-deel valt op dat de zangeres vaak midden in een lied haar keel schraapt. Ze werkt onbeklemtoonde eindlettergrepen niet altijd netjes af en haar intonatie is soms iets te laag. Toch weet ze ‘Erlkönig’ overtuigend te brengen, met een kind dat zucht van afgrijzen en een venijnige elfenkoning, ondersteund door koortsachtig spel van Sherlock.

In Schumanns epische lied ‘Die Löwenbraut’ komt Kirchschlager het best tot haar recht. Het is het spannendste verhaal van de avond, vol ingehouden dreiging, scherp venijn en een verstild tragisch einde.

Ook de Liszt-liederen liggen haar uitstekend. ‘Ein Fichtenbaum steht einsam’ is een klein, doordringend kunstwerk, met veel dramatisch effect gebracht. In ‘Es war ein König in Thule’ laat de zangeres horen dat haar royale stem gemakkelijk een concertzaal vult. ‘Die drei Zigeuner’ is wederom een knap staaltje vertelkunst en er is wat meer aandacht voor het flonkerende pianospel van Sherlock.

De pianist en de zangeres zijn goed op elkaar ingespeeld, reageren op elkaar, versterken elkaars effect en geven elkaar de ruimte. Het publiek krijgt achteraf nog een compliment voor de stilte tussen de stukken. Men heeft ademloos geluisterd.

Vorig artikel

Seizoen De Nationale Opera 2018/2019

Volgend artikel

Staatsopera van Tatarstan speelt Zauberflöte

De auteur

Floor van Dalen

Floor van Dalen