Home » Achtergrond, Featured

Een kwarteeuw programmeren bij DNO

3 januari 2013 20 reacties

De komende maanden publiceren alle grote operahuizen hun programma voor het komende seizoen. De Nederlandse Opera (DNO) is daarbij altijd één van de eersten, ergens in de tweede helft van februari. In afwachting van dit jaarlijkse evenement kijkt de redactie van Place de l’Opera terug op DNO’s programmering van de voorbije 25 jaar.

Een kwarteeuw programmeren bij DNO; wat heeft het ons gebracht? (foto: Edwin Walvis).

Ter gelegenheid van het afscheid van Truze Lodder als zakelijk directeur van DNO verscheen een boekje waarin alle 180 (!) premières werden gememoreerd die tijdens haar bewind ten tonele werden gevoerd, van Don Carlos in oktober 1987 tot en met Written on Skin in oktober 2012. Het geeft een uitstekend beeld van de programmering van het huis over een langere periode.

Sommige producties bleken eendagsvliegen, andere werken verdwenen na een overname hier of daar vrij vlot van het toneel. Maar het overgrote deel behoorde tot het herkenbare standaardrepertoire, werken die ook bij operaliefhebbers in bijvoorbeeld de VS en Duitsland bekend zijn. Van specifiek die werken is een overzicht gemaakt, bereikbaar via deze link.

Analyse van de lijst leert ons het volgende. Overduidelijk blijkt dat het bekende repertoire keurig is bediend, met uitzondering van het belcanto. Een paar componisten zijn wat onderbelicht gebleven en een enkel ‘Pflichtwerk’ ontbreekt op de lijst (bijvoorbeeld Il Trittico).

Toch wordt er in operaland vaak gemopperd over het gebodene. Dat zal enerzijds te maken hebben met de (relatieve) verwaarlozing van Bellini, Donizetti, Massenet, Puccini en anderzijds met de regieconcepten. Iemand verheugt zich op een fijne Roméo et Juliette en belandt in Bosnië. Als je uitkijkt naar een klassiek vormgegeven werk uit het ijzeren repertoire, dan telt zo’n voorstelling emotioneel niet mee. Maar de lijst liegt niet: het meeste is echt langs geweest.

Een ander aspect is de wijze van benaderen: kijken we naar wat wel is geprogrammeerd of naar datgene wat we hebben gemist? Die tweede manier van kijken zal altijd tot ontgoocheling leiden, want een goede dekking van het repertoire impliceert geen volledigheid. Minder dan de helft van de opera’s van Verdi staan op de lijst, Mozart is onvolledig, Strauss komt niet verder dan zeven werken uit een totaal van vijftien, Puccini is incompleet, er is weinig aandacht geweest voor het verismo, Meyerbeer ontbreekt geheel, etc.

Zonder twijfel speelt de persoonlijke voorkeur van de artistieke leiding van DNO hierin een grote rol. Enerzijds is er keurig aandacht besteed aan brede programmering, anderzijds zijn er duidelijke voorkeuren, zoals Monteverdi en Händel. Dat laatste blijkt niet alleen uit het aantal werken van deze componisten, maar zeker ook uit de liefde waarmee ze ten tonele zijn gevoerd. Die werd in de minder hoog aangeschreven sectoren vaak door velen gemist.

Ongeveer een vijfde deel van de bovengenoemde 180 premières betreft hedendaags werk, waaronder een flink aantal wereldpremières. Daarmee geeft DNO een duidelijk statement af. Voor liefhebbers van het genre een bevestiging van de toonaangevende status van het huis; men blaast op wereldniveau zijn partij flink mee. Maar een liefhebber van bijvoorbeeld Bellini zal bij weer een wereldpremière wellicht verzuchten dat we daar ‘een Sonnambula voor hadden kunnen krijgen’.

Uiteraard kan nooit elke voorkeur tegelijkertijd worden bediend. Zo is er wat kritiek te horen op de enorme aandacht voor Wagner in vergelijking met Verdi. Ondanks dat 2013 voor beiden het tweehonderdste geboortejaar is, komt Verdi er tamelijk bekaaid van af met een reprise van La traviata en naar verluidt een nieuwe Falstaff in 2014. Toch is ook dat wel te verklaren, rekenend met het feit dat Wagner een tijdlang vrijwel anathema is geweest en sinds het tweede deel van de jaren tachtig als het ware bezig is met een inhaalslag. Zijn honderdste sterfjaar ging in 1983 nog vrijwel onopgemerkt aan ons voorbij.

We kunnen ons afvragen: hoe nu verder? Meer van hetzelfde of een wat andere koers? Veel operaliefhebbers zullen zich uitspreken voor de tweede optie. Dit onder het motto dat de programmering ook serieus aandacht moet besteden aan die delen van het repertoire die niet tot de voorkeur van de artistieke leiding behoren. Er hoeft echt niet een heel seizoen gevuld te worden met Franse opera’s, veristen en belcanto. Maar ieder jaar van elk van deze drie een werk zou de komende jaren beslist geen kwaad kunnen.

Het is het soort programmering waar de Vlaamse Opera in de jaren negentig succes mee had: elk seizoen een Mozart, een Puccini, een twintigste-eeuws werk, een barokwerk, etc. Als aanpak voor een inhaalslag van onderbelicht repertoire zou hiermee ook in Het Muziektheater goede sier gemaakt kunnen worden.

door

20 reacties »

  • Peter Franken (redacteur) (redacteur) zei:

    Een aanvullende opmerking:

    Een volledig overzicht van alle productie van De Nederlandse Opera leest u hier:

    http://wiki.theaterencyclopedie.nl/wiki/Categorie:Producties_De_Nederlandse_Opera

    Idem de Nederlandse Operastichting (1965 – 1986):

    http://wiki.theaterencyclopedie.nl/wiki/Categorie:Producties_De_Nederlandse_Operastichting

    Idem Stichting De Nederlandse Opera (1946 – 1965):

    http://wiki.theaterencyclopedie.nl/wiki/Categorie:Producties_Stichting_De_Nederlandse_Opera

    Samen bieden deze drie webpagina’s een compleet overzicht van alle opera’s die de afgelopen 67 jaar in Amsterdam in première zijn gegaan.

  • Kasper van Kooten zei:

    Leuk stuk, Peter. Zou in Amsterdam ook graag wat meer belcanto, verismo en Frans repertoire zien. Met de verschuiving van overheidssubsidie naar private geldstromen zou dit bevorderd kunnen worden, al zullen we niet snel een MET-aanbod krijgen, en is dit wellicht ook niet wenselijk.

    Hartelijke groet,
    Kasper

  • Pieter K. de Haan zei:

    Een interessant stuk. Maar programmering bestaat niet alleen uit premières, ook uit reprises en als die in het overzicht waren betrokken dan had het beeld er misschien wel heel anders – naar ik vermoed ongunstiger – uitgezien. Voor de beeldvorming is inderdaad niet onbelangrijk, dat werken uit de belcantoperiode, het verisme en van Verdi, als die dan al werden gebracht, dat niet zelden – ik denk aan “Norma”, “I Puritani”, “Madama Butterfly”, “Aïda” en “Les Vêpres Siciliennes” – was in (uiterst) controversiële of zwakke ensceneringen, die men het liefst zo snel mogelijk vergeet. Dat voor het Verdi-jaar is gekozen voor een reprise van “La Traviata” en een nieuwe productie van “Falstaff”, beide overbekende werken, en niet voor bv. “I Lombardi” of “La Forza del Destino”, beide nog nooit of heel lang geleden in Amsterdam vertoond, vind ik een gemiste kans.

  • Loge (redacteur) zei:

    @ Pieter K. de Haan
    De premières vormen een reeks unieke producties. Daaruit kan worden opgemaakt of het huis er in slaagt het standaardrepertoire ten tonele te voeren, ook minder bekend werk zoals Die Soldaten, Lear of Krol Roger. Een reprise is te vergelijken met het opnieuw verkopen van een oud product. Daarmee worden seizoenen ‘opgevuld’ en betaalbaar gehouden. Reprises kunnen in mijn beleving geen invloed hebben op een oordeel over de mate waarin DNO het standaardrepertoire al dan niet recht heeft gedaan over een periode van 25 jaar.

  • Leen Roetman zei:

    @Loge: m.i. zeggen reprises wel iets over het al dan niet recht doen aan het standaardrepertoire. Waarom wordt de ene operaproductie drie keer hernomen (Elektra) en de andere geen enkele keer (bijvoorbeeld Ariadne auf Naxos) ? Dat is toch ook een artistieke keuze? Ik neem aan dat de Ring niet wordt hernomen om het seizoen betaalbaar te houden? Lijkt me nogal vrij kostbaar!

  • Loge (redacteur) zei:

    @ Leen Roetman
    Daar heeft u wel een punt, met de Ring. Het Wagnerjaar heeft er natuurlijk mee van doen, maar het is al wel de tweede herneming en zeker niet de meest goedkope productie. Ik was met mijn gedachten eerder bij de herneming van de recente Da Ponte cyclus (Beddenpaleis etc.) en producties als Traviata en Trois Oranges.
    Viermaal dezelfde Elektra is wat mij betreft geen artistieke keuze meer te noemen, dat riekt mij teveel naar geldbesparing.
    Een nieuwe Strauss zou overigens sowieso welkom zijn, bijvoorbeeld Arabella, Danae of Intermezzo.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Een beetje vreemd vind ik, een redacteur, die zich van een pseudoniem bedient. Een naam invullen bij een reactie is “vereist”, maar wat je invult doet er blijkbaar niet toe. Ik ben zo vrij er een andere beleving op na te houden dan de uwe, meneer Loge. Bij het plannen van reprises kunnen allerlei factoren een rol spelen, zoals contracten, budgets en….artistieke kwaliteiten. Maar in elk geval zijn ze onderdeel van de programmering en daardoor bepalen ze mede het artistieke profiel van een gezelschap. Als dat niet het geval zou (mogen) zijn, waar zouden dan repertoiretheaters op afgerekend mogen worden? Alleen op hun premières?

  • kersten zei:

    Iets anders. Van tijd tot tijd verlies ik mezelf in de lectuur van
    ‘Annalen van de operagezelschappen in Nederland 1886-1995’, dat zich, zij het greepsgewijs, laat lezen als een spannend boek (bezettingen!). Ik ben dan ook bijzonder ingenomen met de aanvullende websites waar in de eerste reactie op wordt gewezen:
    veel dank, Peter Franken!

  • Guus Mostart zei:

    De reprises spelen een zeer belangrijke rol bij de opbouw van een seizoen en kunnen daarvan niet losgekoppeld worden. De kwaliteit van een operagezelschap wordt sterk bepaald door de kwaliteit van deze reprises – de bread and butter van ieder gezelschap. De premières krijgen normaal gesproken alle aandacht binnen een operagezelschap maar vaak zijn de reprises ondergeschoven kindjes die er even bij gedaan worden. Je wordt uiteindelijk afgerekend op het totaalresultaat van een seizoen en daarin spelen de reprises een essentiële rol.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Ik ben zo vrij het commentaar van de heer Mostart, zoals bekend een insider, als een ondersteuning van mijn zienswijze te beschouwen, waarvoor mijn dank. Dus: voortaan het door een operagezelschap gebrachte repertoire niet alleen beoordelen op de premières maar ook op de reprises!

  • Peter Franken (redacteur) zei:

    De discussie die is ontstaan n.a.v. Een kwarteeuw programmeren bij DNO is inmiddels de kant opgegaan van het uitwisselen van opinies m.b.t. de artistieke kwaliteit van een operagezelschap, vernauwd tot opmerkingen over reprises en de functie en het belang daarvan. Op zich is dat een te verwachten ontwikkeling. Discussiëren over feiten is moeilijk omdat ze zeer dwingend zijn, je kunt er niets aan veranderen. Met opinies is het gemakkelijker werken.
    Het artikel, plus de lijst met premières, geeft feitelijke informatie waaruit blijkt dat de programmering van DNO meer divers is dan soms door operagangers wordt verondersteld. Ongeveer 160 premières die deel uitmaken van het standaardrepertoire over een periode van 25 jaar is een feit dat mij persoonlijk wel een beetje heeft verrast. Zelf heb ik toch ook wel meer de neiging om te kijken naar hetgeen ik heb gemist dan naar hetgeen er is geboden.
    Het is een feit dat DNO de operaliefhebbers op het punt van diversiteit binnen het standaardrepertoire naar behoren bedient, kijkend naar de verschillende titels die de afgelopen 25 jaar in première zijn gegaan. De mate waarin het huis succesvol is geweest om deze liefhebbers tevreden te stellen is een kwestie van opinies. Daarmee kom je al gauw weer te spreken over zaken als de kwaliteit van de zangers, de opvattingen van de regisseur etc.
    Sommige titels zijn tweemaal in première gegaan. Niettemin is het gemiddeld aantal unieke titels per seizoen groter dan zes. Aan dat feit valt niets te veranderen, het is zo dwingend als feiten plegen te zijn.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Geachte heer Franken,

    De stelling in de eerste zin van uw reactie is onjuist. Ik heb erop gewezen, dat u uw conclusies niet kunt trekken uit het door u vermelde materiaal, t.w. het t.g.v. het afscheid van mevrouw Lodder uitgebrachte boekje – dat ik niet ken – en m.n. uit de daarin blijkbaar vermelde premièrelijst van de afgelopen 25 jaar. Daaruit kan geen “uitstekend beeld van de programmering van het huis over een langere periode” zijn gebleken en wel omdat de reprises – die immers ook tot de programmering behoren – buiten beschouwing zijn gelaten. Over feiten moge niet te twisten zijn over conclusies uit een selectie van de feiten wél. U concludeert, nogal tegenstrijdig, uit die selectie, dat het “Overduidelijk blijkt dat het bekende repertoire keurig is bediend, met uitzondering van het belcanto” en voorts, dat sprake is van “(relatieve) verwaarlozing van Bellini, Donizetti, Massenet, Puccini” en ik zou daar – de a.s. première van “Guillaume Tell” ten spijt – Rossini aan willen toevoegen. Hoezo “keurig bediend”? Het woord “relatieve” zou ik voor wat betreft de componisten van het “ottocento”, Massenet en, niet te vergeten, Meijerbeer, willen vervangen door “schromelijke”. Al met al is hier toch sprake van grote hiaten in de programmering. Voorts spreekt u bij herhaling over “standaardrepertoire” en uiteraard hoort dat niet alleen thuis in de programmering, het dient er zelfs een essentiëel bestanddeel van te zijn (maar dan liever niet in, vrijwel per definitie, controversiële ensceneringen). Maar waarom is/wordt bij het programmeren van werken buiten dat standaardrepertoire zo de nadruk gelegd op het hedendaagse (maar liefst 20% van alle premières)en werden/worden, niet zelden ten onrechte, in de vergetelheid geraakte werken van bv. bovengenoemde componisten volledig buitengesloten. Een “inhaalslag” zou wat dat betreft zeker op zijn plaats zijn, alleen vrees ik, dat we die onder het bewind van Pierre Audi niet zullen meemaken. Persoonlijke voorkeuren voor en afkeren van bepaalde periodes, componisten, regisseurs, dirigenten enz. vormen n.m.m. een van de belangrijkste redenen om een intendant/artistiek directeur niet te lang – en 25 jaar is in mijn ogen té lang – aan een theater te verbinden.

  • Leen Roetman zei:

    Ik ben ook verrast door het aantal van 180 premières waarvan een vijfde deel hedendaags werk. Dat is een prestatie waar DNO trots op mag zijn! Goed om dat nu eens te lezen. Zonder daaraan een waardeoordeel te geven zou toch ook interessant zijn om daarin de (aantallen) reprises mee te wegen. Dan houden we ons nog altijd aan de feiten.

  • Peter Franken (redacteur) zei:

    Het volgende is het resultaat van marginale toetsing, bedoeld als bijdrage aan de discussie over reprises in de programmering van DNO:

    Twee producties, al dan niet met een of meer reprises:
    Fidelio, Carmen, Katia Kabanova, Don Giovanni. Die Entführung, Cosi fan Tutte, Idomeneo, Nozze di Figaro, Die Zauberflöte, Salome, Die Frau ohne Schatten, Evgeni Onegin, Don Carlo, Simon Boccanegra, Un ballo in maschera, La traviata, Parsifal, Der fliegende Holländer, Iphigenie en Tauride, Lady McBeth of Mtensk,
    Eén productie met één of meer reprises:
    Wozzeck, La damnation de Faust, Les Troyens, Peter Grimes, Pelléas et Mélisande, L’elisir d’amore, Orphée et Eurydice, Giulio Cesare, Jenufa, De zaak Makropoulos, Het sluwe vosje, Boris Godoenov, Il ritorno d’Ulisse, Il combattimento di Tancredi et Clorinda, L’incoronazione di Poppea, L’Orfeo, Dialogues des Carmelites, La Bohème, Turandot, Madama Butterfly, Il barbiere di Siviglia, L’Italiana in Algeri, Die glückliche Hand, Elektra, Capriccio, Der Rosenkavalier, Rigoletto, Otello, Die Meistersinger von Nürnberg, Das Rheingold, Die Walküre, Siegfried, Götterdämmerung, Die Soldaten.

    Koplopers voor wat betreft het aantal reprises zijn Mozart en Monteverdi. Bij Strauss valt het aantal herhalingen van Salome en Elktra op, bij Wagner die van de Ring tetralogie.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Geachte heer Franken,

    Dank weer voor uw reactie, als die tenminste zo mag heten. De discussie gaat namelijk niet over de reprises maar over het buiten beschouwing laten daarvan bij het geven van een oordeel over de programmering. Als u vervolgens onder het hoofd “Twee producties met één of meer reprises” 20 en onder het hoofd “Eén productie met één of meer reprises” 34 opera’s vermeld (excuses voor als ik me verteld heb) dan kan ik u helemaal niet meer volgen. Nog even terzijde: dat een fantastische voorstelling als “Elektra” alleen maar op CD is uitgebracht en een scenisch wanproduct als “Les vêpres Siciliennes” op DVD is ook al weer één van die onbegrijpelijkheden waarop DNO het publiek toch wel in ruime mate pleegt te trakteren.

  • Pieter K. de Haan zei:

    In mijn laatste reactie heb ik helaas het woord “vermeld” niet aangevuld met een t. Excuus daarvoor.

  • Peter Franken (redacteur) zei:

    Heren de Haan en Roetman.

    Een snelle beschouwing van de afgelopen 25 jaar bij DNO leert dat 20 titels tweemaal zijn gebracht. Bijvoorbeeld Salome (Kupfer), meerdere keren hernomen en daarna nog een keer in de versie van meneer Konwitschny. Ander voorbeeld: Don Giovanni, beide producties een of meer keren hernomen.
    Verder is er een groot aantal producties (34) dat slechts één première heeft gehad en die vervolgens een of meerdere keren hernomen zijn. In die categorie vallen de Monteverdi’s maar ook Elektra en Dialogues des Carmelites. De overige producties uit de lijst zijn na de première (voor zover ik het zo snel heb kunnen nagaan) niet hernomen (bv. La Wally, Die tote Stadt).
    Met deze informatie in de hand is het mogelijk de programmering van DNO te analyseren, niet slechts op het aantal premières maar tevens op de hernemingen. Beschouw het als een aanvulling op het oorspronkelijke artikel.
    Los daarvan speelt de vraag of het gebodene naar wens is geweest. Maar dat is dan weer het geven van een opinie.

  • Leen Roetman zei:

    Ik kan het wel volgen. Twee producties betekent dat een en dezelfde opera in twee verschillende ensceneringen / regies zijn opgevoerd. Ik vind het een welkome aanvulling van Peter Franken. Het werpt een interessant(er) licht op de programmering van DNO. De voorkeur (en eigen regies) van artistiek leider Pierre Audi zijn er goed in terug te vinden (Monteverdi, Wagner). Mozart, Puccini, Strauss zijn vertegenwoordigd met hun grote opera’s, terwijl meerdere van hun andere werken, al opgemerkt, ontbreken. Tsjaikovski krijgt twee producties met Evgeni Onegin, maar Pique Dame wordt niet een keer hernomen. Gezien zijn enorme repertoire en kwaliteit van zijn opera’s lijkt Verdi de grote verliezer.
    Zijn er nog meer conclusies te trekken? (op basis van de ‘feiten’).

  • Pieter K. de Haan zei:

    Geachte heren Franken en Roetman,

    Allengs komen we tot waar het uiteindelijk om draait, t.w. de (complete) programmering van DNO, en daar was het mij om te doen. Nogmaals wil ik erop wijzen, dat daar grote gaten in zitten (o.m. “ottocento”, Massenet, Meijerbeer, vroege Verdi’s, maar ook bv. Von Weber, Nicolai, Lortzing, Von Flotow, Smetana, Dvorak, Ponchielli, Giordano enz.). Ik meen het mijne er nu wel over gezegd te hebben.

  • Leen Roetman zei:

    Nog een opmerking: zo ver mijn informatie reikt: DNO is niet verantwoordelijk voor wat wel of niet op CD of DVD wordt uitgebracht, dat bepaalt uiteindelijk het DVD / CD label dat daar een markt voor ziet.

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.