FeaturedGeen categorieOperarecensieRecensies

Sobere Poppea in tiptop typecasting

Dit Festival Oude Muziek Utrecht gaf Claudio Monteverdi een curieuze symmetrie: aan het begin een uitbundig theatrale vertolking van kerkmuziek-icoon Mariavespers, tegen het slot een ingetogen maar nuancerijke uitvoering van zijn levendigste theaterwerk L’Incoronazione di Poppea. Tussendoor bracht L’Arpeggiata delen uit L’Orfeo, de opera die het best bij festivalmotto Revival past.

Le banquet céleste met dirigent Daniel Guillon Foto:@ Marieke Wijntjes

Poppea wilde immers geen klassieke tragedie herscheppen, eerder via historische dekmantels actueel commentaar geven. Bijvoorbeeld op het tegenover de deugdzame republiek Venetië corrupte Rome, zowel onder keizer Nero als in 1643. Wel past de term Revival bij de aanpak van Damien Guillon en Le Banquet Céleste. Waar L’Arpeggiata en in de Vespers La Tempête losjes met de noten omgingen, bleef Guillon 2 september dicht bij de musicologische consensus over de uitvoeringspraktijk destijds.

Dus speelde links op het podium in TivoliVredenburg een miniem ‘orkest’ van twee violisten en drie man alternerend op fluiten en zinken. Alleen in de originele ritornelli zodat ze 90% procent van de tijd werkloos en eerlijk gezegd wat verveeld oogden. Aan ritmische energie echter geen gebrek, zeker niet in beide klavecimbels die het continuo domineerden, ééntje ervan tussen de handaanwijzingen door bespeeld door Guillon. Luiten, orgel, harp en lage strijkers leverden fraaie maar bescheiden bijdragen.

In lijn met de prioriteit van 17e-eeuwse Venetiaanse opera kregen de zangers zo ruim baan hun vocale en retorische kwaliteiten te etaleren. En wat voor zangers! Zonder beroemde namen of imposante volumes, los van de daverende Adrien Mathonat als Seneca, waren de hoofdrollen in de roos bezet. Dat belooft wat voor scenische opvoeringen in het Franse Rennes komende maand, wat overigens het puur concertante karakter met amper oogcontact ietwat raadselachtig maakt.

Rechts Adrien Mathonat, links Paul-Antoine Bénos-Djian. Foto: @Marieke Wijntjes

Countertenor Paul-Antoine Bénos-Dijan deed als Ottone alleen zijn jasje uit bij wijze van vrouwelijke vermomming om ex-geliefde Poppea te doden. Maar in zijn stem klonken de stereotiepe feminiene kwaliteiten van schroom en vrees helder door, zonder op de zenuwen te werken. De jonge Fransman zette de dialogen schijnbaar extra lijzig aan, om dan in monologen gouden stempracht te ontplooien.

Frisse sopraan Maïlys de Villoutreys vulde de Grote Zaal met enige moeite maar was een ontroerende Drusilla, zonder haar duistere kant te tonen. Want niemand vertegenwoordigt ‘het goede’ in dit werk, zelfs niet Seneca die zo manmoedig de dood ingaat. Met iets meer accuratesse in de notenslierten die Monteverdi de zelfgenoegzame filosoof op soms pietluttige woordjes in de mond legt, had ruige bas Adrien Mathonat hem nog pedanter geportretteerd.

Victoire Bunel als Ottavia en Maïlys de Villoutreys als Drusilla Foto:@ Marieke wijntjes

Ongebruikelijk maar vermoedelijk historisch correct is de bezetting met één zanger van beide oude voedsters, Poppea’s Arnalta en keizerin Ottavia’s naamloze Nutrice. Maar de kans op differentiatie en überhaupt het komisch potentieel liet de steeds tussen counterstem en normale tenor balancerende Paul Figuier te veel liggen. Hoe aandoenlijk ook Arnalta’s wiegelied en haar triomf als ‘matrona’, wie Dominique Visse of ‘onze’ Marcel Beekman* nog op de trommelvliezen had, kwam bij Figuier tekort.

Camille Poul was mede dankzij sprankelende lichaamstaal het zonnetje in huis als liefdesgodje Amore en page Valetto. In mijn oren zou ze ook top zijn als Cherubino, een pittige sopraan met net die vleug donkerte voor jongensrollen. Ervaren Poppea-luisteraars konden bij Poul en anderen de oren spitsen voor minder bekende stukjes. Guillon koos blijkbaar het manuscript uit Napels, uitvoeriger dan dat in Venetië bewaard, met noten die zeker niet van Monteverdi zijn maar hier toch meerwaarde hadden.

Ongewoon is ook de dubbeling van Ottavia en Virtù, wat al aangeeft dat de keizerin hier een minder dramatische mezzo kreeg dan gangbaar. Strak maar expressief van toon gaf Victoire Bunel elk woord de juiste gekwetste dan wel hooghartige lading. Na de eerste hortende frasen, fluisterzacht gesteund door viola da gamba, groeide haar verbanningsvaarwel uit tot grote intensiteit. Zonder spoor van melodrama verliet Bunel waardig het podium.

Le banquet céleste met dirigent Daniel Guillon en viola de gamba speler Isabelle St-Yves Foto:@ Marieke Wijntjes

Haar vertolking sluit aan bij een boeiende theorie over het vermeende immorele slot. Mogelijk wilde librettist Busenello een ‘alternatieve waarheid’ bieden (fatto diverso in zijn eigen woorden): Nero en Poppea zijn, hun genotzuchtig geluk in de finale ten spijt, door de nagedachtenis al afdoende bestraft. Wie weet was de historische Octavia heimelijk ook moorddadig maar manipuleerde ze haar reputatie zo vakkundig dat ze als schuldeloos slachtoffer en morele winnares de geschiedenisboekjes inging…

Wat betreft het schaamteloze duo, een vrouwenstem als Nerone levert welluidende samenzang maar kan de karakterisering schaden. Ray Chenez zorgde hier voor optimaal contrast met zijn grillige, in de hoogte zelfs extravagante countertenor. Een zwakkere laagte in combinatie met Chenez’ uitgesproken babyface dempte zijn autoriteit maar dat versterkte het gevaarlijke charisma. Deze arrogante knul zou je het liefst een oorvijg verkopen, tot je beseft dat hij in een handomdraai je kop eraf kan laten slaan.

Als Poppea had Catherine Trottmann hem stevig in de vingers, met een zowel qua stem als uitstraling koele en berekenende schoonheid. In enkele hoge uithalen verloor haar fluwelige sopraan aan glans maar zonder de behaagzieke toon van menig concurrente zette Trottmann de ambitieuze courtisane ijzersterk neer. Gelukkig bleef de kroningsscène (die toch niet van Monteverdi is) achterwege zodat het fameuze duet met gonzende steun van gamba, lirone en violone snel alle grimmigheid vervaagde.

Ray Chenez (Nerone) en Catherine Trottman (Poppea) met leden van Le banquet céleste en dirigent Daniel Guillon. Foto: @Marieke Wijntjes

Lang en warm klonk het applaus, al was de vergelijking door het Festival met Netflix-series wellicht onverstandig. In zo’n tot de kern teruggebrachte uitvoering is Poppea toch voor fijnproevers en mijn buurvrouw sukkelde voor de pauze in slaap, erna was ze vertrokken. Maar gretig nam een jongedame haar plek en in de foyer hoorde ik enthousiaste jongemannen, zoals ik 30 jaar terug er zelf een was bij mijn eerste Poppea. Regelmatig luidt men de noodklok maar er zit nog toekomstmuziek in klassiek.

 

Place de l´Opera zal hier ook verslag doen van de Vespers van Monteverdi.

Verder lezen, luisteren en kijken

L´incoronazione di Poppea met *Marcel Beekman was eerder dit jaar te zien Barcelona.

Le banquet céleste in een video over Stradella.

 

Vorig artikel

Chailly met La Scala en Verdi door Europa

Volgend artikel

Maria Vespers La Tempête haast voelbaar

De auteur

Martin Toet

Martin Toet