Home » Buitenland, Headline, Operarecensie

Castwissels plagen Don Carlo bij Scala

Milaan2 februari 2017 Geen reacties

Een nieuwe Don Carlo in de Scala in Milaan: dat schept hoge verwachtingen. De creatie van Peter Stein – eerder te zien bij de Salzburger Festspiele 2013 – kon niet helemaal aan die verwachtingen voldoen. Meerdere wisselingen in de cast wierpen hun schaduw over de voorstellingenreeks.

Scène uit Don Carlo. (© Brescia/Amisano - Teatro alla Scala)

Scène uit Don Carlo. (© Brescia/Amisano – Teatro alla Scala)

Peter Steins regie van Don Carlo (de versie in vijf aktes) werd in 2013 op tv uitgezonden. Toen beviel me de enscenering zeer. Op het toneel van de Scala pakte de voorstelling echter minder overtuigend uit.

Stein leunt sterk op de kracht van de muziek van Verdi’s geniale werk en vertelt de opera met duidelijke en geheel op de zangers gerichte beelden. Iets wat ik zeker toejuich. Maar de voorstelling die ik bezocht (29 januari) kwam slecht gerepeteerd over, met discutabele details en onnauwkeurigheden in de personenregie. Wat voor zin heeft het bijvoorbeeld dat Carlo en Elisabetta tijdens hun grote liefdesduet in het woud van Fontainebleau op tegenovergestelde delen van het toneel staan, ver van elkaar verwijderd? En waarom komt het koor in diverse scènes zo gewichtig het toneel op, in ganzenpas, terwijl de muziek heftige emoties schildert?

Ferdinand Wögerbauers minimalistische decor was voor de bühne in Milaan verkleind, wat de interactie tussen de zangers iets makkelijker maakte. Toch oogde de set, naar de aanwijzingen van het libretto gemaakt, erg steriel. Te steriel om zo’n lange opera-avond te dragen. Het werd pas atmosferisch op de momenten dat lichtontwerper Joachim Barth het toneel in nachtelijk blauw onderdompelde.

Een waar feest voor de ogen waren daarentegen de historische kostuums van Annamaria Heinrich. Ze leken uit een renaissanceschilderij te komen en gaven de enscenering in elk geval optisch wat afwisseling en kleur.

Dat de vonk niet echt oversprong, lag ook aan het ontbreken van echt samenspel in het zangersensemble; waarschijnlijk een gevolg van de wissels in de cast. Om die reden had het operahuis ook besloten om voor het grootste deel de Modena-versie van de opera (uit 1886) aan te houden, op het houthakkerskoor aan het begin en het gemaskerde feest van de koningin in de derde akte na. Andere elementen uit de Franse versie kwamen hierdoor, anders dan in Salzburg, niet aan bod.

Ildar Abdrazakov sprong in voor de zieke Ferruccio Furlanetto als Filippo II. Met zijn markante, zwart getimbreerde bas gaf hij de eenzame koning in het eerste deel van de opera harde, autoritaire karaktertrekken, om vervolgens in zijn stormachtig bejubelde ‘Ella giammai m’amò’ volle, lyrische warmte te laten horen.

Scène uit Don Carlo. (© Brescia/Amisano - Teatro alla Scala)

Scène uit Don Carlo. (© Brescia/Amisano – Teatro alla Scala)

Krassimira Stoyanova zong een meeslepende Elisabetta, met donkere sopraan en bijna bovenaards mooie piani. Erg schoon waren ook haar bijdragen aan het kwartet in de vierde akte, evenals haar grote aria in de vijfde akte.

Jammer genoeg had Stoyanova in tenor Francesco Meli geen partner van haar kaliber. Vooral in de ensemblescènes was Meli’s Don Carlo te flets. Met zijn slanke stem, die in de hoogte nog smaller werd, liet hij veel drama liggen. Pas in het duet in de vijfde akte vond de veelgevraagde zanger zijn gebruikelijke vorm terug. Daar maakte hij veel indruk met prachtig gevormde frases.

Een werkelijk voortreffelijke Rodrigo leverde de jonge Simone Piazzolla. Met zijn krachtige, Italiaans geschoolde bariton blies hij leven in iedere noot van zijn uitdagende partij. Zijn sterfscène wist iedereen te ontroeren.

Van de bezetting uit Salzburg was alleen Ekaterina Semenchuk als Eboli overgebleven. Ze gaf de prinses met grootse, soms wat ongecontroleerde mezzo geloofwaardig gestalte, waarbij ‘O don fatale’ haar duidelijk beter lag dan het sluierlied. Wat voor mij onbegrijpelijk bleef, was dat Eboli’s optreden bij de volksopstand in de finale van de vierde akte gewoon weggelaten werd.

De ervaren Eric Halfvarson had de rol van de Grootinquisiteur kort voor de première overgenomen. Zijn bas klonk echter breekbaar en mat. De duistere scène tussen hem en de koning kon hij alleen door zijn buitengewone theatrale kwaliteiten redden.

De jonge Martin Summer vertolkte daartegenover de monnik/Karel V met grote, balsemende bas. De Grootinquisiteur was zo ontzet van zijn verschijning dat hij aan het einde van de opera dood neerviel.

Het door Bruno Casoni ingestudeerde koor maakte indruk in de uitgebreide koorscènes. De klankpracht was buitengewoon, maar de tijdens het autodafe op het toneel geplaatste musici voorzagen hun zang jammer genoeg van onnauwkeurig spel, iets wat in een huis als de Scala eigenlijk niet zou mogen gebeuren.

Myung-Whun Chung leidde het Scala-orkest op gevoelige en zangersvriendelijke wijze, maar zijn brede tempi haalden veel spanning uit de voorstelling. Aan het einde van de avond was er beleefd applaus. Het Milanese publiek is beslist weleens enthousiaster geweest.

door

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.