Home » Featured, Recensies

Strobos: wonder van veelzijdigheid

Amsterdam18 augustus 2012 Geen reacties

Het Grachtenfestival in Amsterdam programmeerde in het Compagnietheater een optreden van de winnares van de GrachtenfestivalPrijs 2011, Karin Strobos. Ze bracht een programma met een zwaar begin en met ruim een uur wonderen van veelzijdigheid. Meeslepend en erg indrukwekkend, is het commentaar.

Karin Strobos was al het veelbelovende jonge talent, de getalenteerde mezzo in een aantal producties van Opera Zuid, een ‘invalster’ bij De Nederlandse Opera met een onbetwist hoge gunfactor en ze won vorig jaar de GrachtenfestivalPrijs. So far so good.

Karin Strobos (foto: Grachtenfestival - Ronald Knapp)

Met het programma dat de mezzosopraan samen met pianiste Else Sterk dit jaar op het Grachtenfestival presenteerde bewees ze tot een all-round zangeres en podiumpersoonlijkheid te zijn uitgegroeid die de status van jong en veelbelovend inmiddels ruim voorbij is.

,,Het thema van dit festival is de liefde, en het viel natuurlijk niet mee om daar een programma met liederen mee samen te stellen”, zo meldde de zangeres toen ze opkwam in het Compagniethater. Het was even stil, maar de lach verraadde de ironie die het publiek even moest plaatsen en die toen doordrong. Er valt veel, heel veel te zingen over de liefde, in alle toonaarden. Dat zingen was geraffineerd geprogrammeerd voor het optreden van Karin Strobos en Else Sterk.

Strobos opende met Les nuits d’été van Hector Berlioz. Zes liederen over verlies, zwaar van thema, dramatisch van tekst met zinnen als:

Ma belle amie est morte
Je pleurerai toujours
Sous la tombe elle emporte
Mon âme et mes amours

(Mijn geliefde is dood
voor altijd zal ik wenen
onder haar zerk nam ze
mijn ziel en liefde mee)

Het duo, met een heel voorzichtige, zorgvuldig gepedaleerde vleugel en een zangeres die diep ging zonder te zwelgen in de teksten en het drama, hield de spanningsboog ruim een half uur vast. Beheerst en geconcentreerd loodste Strobos haar stem en het publiek door de diepten van Théophile Gautiers teksten. Uit haar hoofd, geen houvast aan een partituur, geen hand op de vleugel. Alleen soms die linkerhand die in een plooi van de jurk kneep om ergens de spanning van de muziek en de tekst te plaatsen.

Het was muisstil in de bomvolle zaal. Niemand hoestte tussen de liederen, er werd niet gebladerd in het tekstboekje (de teksten waren niet opgenomen in het programmablaadje en dat heeft soms ook voordelen). De akoestiek van het Compagnietheater is anders, droger dan een Kleine Zaal of een Muziekgebouw, en dat maakte elke vorm van effect onnodig. Het werd een huiskamerconcert waarin Strobos het onontkoombare middelpunt was.

Als een volle, warme zaal al effect had op de stem van de mezzo, dan was dat niet te merken. Ze bereikte soepel alle registers en kleurde mooi met de piano, waar Else Sterk zowel de noten als de teksten scherp in de gaten hield.

,,Zo dat was een bevalling”, was het droge commentaar van de zangeres die het vaak gehanteerde protocol van wel zingen maar niet presenteren doorbrak met korte toelichtingen op het programma. Dat er zichtbaar een echte bevalling aankomt bij Karin Strobos maakte de grap nog sterker.

Het tekstueel en theatraal zwaarste deel was met ‘Nuits’ achter de rug. De opbouw van het programma werkte goed. Het contrast met Berlioz in de vijf liederen uit het ‘Italienische Liederbuch’ van Hugo Wolf was aanzienlijk. Lichte liederen die soms een act voor twee dames werden.

Begeleidster Else Sterk weet uitstekend wat ze in haar rol aan de vleugel moet doen, maar ze heeft een onmiskenbaar komisch talent dat ze visueel uit, maar ze kan ook -wat ik maar zou benoemen als- ‘komisch’ pianospelen. Een tekst als ‘Ich bin verliebt, doch eben nicht in dich’ kreeg een vlotte, cabaretske behandeling.

Het derde blok bestond uit Chansons de Bilitis van Debussy. Dat was wat mij betreft het muzikaal interessantste deel van het programma. Debussy vergat bij het schrijven zijn vaardigheden als componist voor piano niet en mengde de noten van de vleugel met spannende pastelklankkleuren voor de zang. Met een volledig opgewarmde stem, en met nog alle energie die de muziek vroeg, werden de liederen gezongen.

Er was een ‘ toetje’, met drie operastukken van zeer verscheiden aard. Verzengende liefde in Gershwins ‘My man’s gone’, hunkerende liefde – of het ontbreken daarvan – in Kurt Weils ‘ I am a stranger here myself (‘Is there really any danger that love his now out-moded?’) en onvervalste Rossini-coloratuur in een aria uit La Cenerentola.

Wat een mooie middag, wat een indrukwekkende kwaliteit en wat een meeslepende voordracht.

 

door

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.