Relevante boodschappen in De Matinee
Voices van Hans Werner Henze (die honderd jaar geleden werd geboren) ging in 1974 in première, onder zijn eigen leiding uitgevoerd door London Sinfonietta. Het is een liedcyclus op uiteenlopende politieke gedichten oor twee stemmen en vijftien instrumentalisten. Nu staat het werk opnieuw op de lessenaars van London Sinfonietta in het kader van het Holland Festival in de NTR ZaterdagMatinee.

Is het werk nog steeds relevant, muzikaal en wat betreft de boodschap?
De eclecticus Henze schrijft ook in dit werk in heel veel verschillende stijlen. Bij teksten van Bertold Brecht sluit hij aan bij zijn voorgangers Weill, Eisler en Dessau, met flarden jazz, en in “Legende von der Entstehung des Buches Taoteking auf dem Weg des Laotse in die Emigration” een dosis Chinoiserie. Emigration.. daar spitsen de oren zich al.
Brecht schreef dit gedicht in Denemarken toen hij op de vlucht was voor de Nazi’s; heel actueel, een ontroerend verhaal, over Laotse die concludeert dat een douanier die hem onderweg ondervraagt en die vervolgens wil weten welke wijsheid hij recent heeft opgediept, en dus nieuwsgierig is, net zo veel respect verdient als degene die de wijsheden bedenkt – en dit alles is navenant mooi door Henze getoonzet.
Henze plukt verder allerlei teksten bij elkaar, een ‘Prison Song’ van Ho Chi Minh, op onwelluidende muziek gezet, tot protestgedicht “Screams” naar aanleiding van de moord op Malcolm X van Welton Smith, “Screams”, ook opzettelijk dissonant klinkend, en “The Worker” een smartelijke tekst over een dodelijk arbeidsongeval van een zwarte arbeider, waarbij een machine niet kon worden stopgezet, door hoogleraar racismestudies Richard W. Thomas, die het ongeval beschrijft gezien door de ogen van het kind van het slachtoffer, telkens even aangrijpend verklankt door Henze; mooi melodisch in een soort gospelstijl getoonzet, waarbij verschillend leden van London Sinfoniette in close-harmony meezingen, met verder alleen een gitaar.
De verder vergelijkbaar rijke en waar van toepassing even smartelijke cyclus wordt afgesloten met “Das Blumenfest”, op tekst van Hans Magnus Enzensberger. Henze schijnt het in een ochtend op zijn idyllische landgoed niet ver van Rome te hebben geschreven. Henze borduurt nu duidelijk componerend voort op Mahler, Richard Strauss en de tweede acte van Tristan, de verleidingsscènes uit Bergs Lulu, ook een componist die door hem werd bewonderd, en ik hoor zelfs de romance-scene tussen Camille en Valenciennes uit Die Lustige Witwe. Ook al wordt naar goed – al dan niet vermeend – Azteeks gebruik tijdens één van de feesten die in de tekst worden genoemd een gevangene levend gevild; de tekst is door Enzensberger -vrij – gebaseerd op Azteekse poëzie die was vertaald door een Spaanse Franciscaan die zich had toegelegd op de Azteekse taal. En hoe spätromantisch kun je het hebben? Henze gunde zich die ruimte, omdat hij in de andere stukken uitdrukkelijk alle vernieuwingen van de tweede helft twintigste eeuw toepaste, inclusief dodekafonie. Van sommige dichters vraag je je af of ze de dingen nu nog zo zouden zien en of wij die nog zo moeten zien.

En bij “Para aconsejar a una dama” van de Cubaanse dichter Herberto Padilla over een alleenstaande vrouw in Cuba die haar lichaam misschien net zo goed aan beursstudent ter beschikking zou kunnen stellen kun je je afvragen waar engagement begint en eindigt, waar satire begint en eindigt en waar misogynie begint. Maar Padilla was door het regime gevangengezet en gedwongen tot een verklaring van ‘zelfkritiek’, en ging uiteindelijk in ballingschap. Hij heeft zijn roem duur betaald. En hij was niet de enige dichter die Henze uitkoos die op gespannen voet stond met ooit geïdealiseerde regimes. Misschien was het Henze homoseksualiteit, iets dat in Cuba verboden was (homoseksuelen werden vervolgd), die hem alert maakte, ‘sensibiliseerde’, voor het feit dat er soms ook dringend alternatieven voor alternatieven voor alternatieven moest worden gezocht.
Carina Vinke vertolkt in weerwil van de mogelijk misogyne ondertonen vol verve de vrouwenrol in “Para aconsejar a una dama”. Christopher Gillett is een strenge Ho Chi Minh in de Prison Song en doet fraaie ‘schreeuwgezang’ in “Screams”. In de twee hoekdelen, “Die Legende von der Entstehung.. enz.” en “Blumenfest” vormen de twee bovendien volmaakt paren.

Na de pauze waren er drie nieuwe stukken, met andere solisten. Singer-songwriter en producer/kunstenaar Klein uit Londen is sociaal-politiek geëngageerd en gebruikt naast live gespeelde muziek ook audiosamples. Haar nieuwe werk “Siren” is geïnspireerd op het geluid van een Britse politiesirene.

Het klinkt fraai, atmosferisch, maar na Henze (en vóór Fadael) werkt het werk minder ‘onontkoombaar’. Dat geldt ook voor het op zichzelf aanstekelijke “M anvi chante payi”, Haïtiaans-Frans voor “Ik wil zingen over mijn land” van de Haïtiaans-Amerikaanse zangeres en componiste Nathalie Joachim, die in haar muziek voor sociale verandering pleit. De tekst komt van een onbekende Haïtiaanse dichter en werd in 1973, het jaar waarin Henze’s Voices verscheen, door een ensemble van Haïtiaanse ballingen in New York, Atis Independan (Onafhankelijke Artiesten), op LP uitgebracht. De song maakt gebruik van het idioom de Haïtiaanse troubadourstijl, met invloeden uit de Amerikaanse en Braziliaanse volksmuziek en is door Nathalie Joachim voor de London Sinfonietta bewerkt. En toch valt het ook een beetje weg na Henze, en ook na het stuk ervoor.

“My memories are louder than your missiles” van Karmit Fadael op een tekst van de arts Ezzideen Shehab uit Gaza is raak.
Fadael en Nora Fischer, die de tekst voordraagt, omschrijven het werk als volgt: ‘Wanneer twee vrouwen met een Israëlische en Joodse achtergrond samen een protestlied brengen, lijkt er anno 2026 maar één protest mogelijk. Een aanklacht tegen het onvoorstelbare geweld dat, ook in onze naam, vanuit Israël voortwoedt. In plaats van het onder woorden brengen van onze eigen frustratie, geven wij dit podium aan een stem die daar doorgaans niet klinkt. Wij vonden die stem in een gedicht van Ezzideen Shehab, een arts die vanuit Gaza via sociale media de mensonterende, dagelijkse realiteit deelt. Hier geldt momenteel een ‘staakt-het-vuren’, desondanks houdt het geweld genadeloos aan. Shehabs poëzie roept vragen op: is het aan de Palestijnen om telkens weer de vermenselijking te tonen van een volk dat constant wordt gedehumaniseerd? Of moet het Westen onder ogen zien dat zij wellicht degene is die haar menselijkheid volledig heeft verloren?’

Wikipedia: “Vijf dagen voor 7 oktober 2023 keert een jonge Palestijnse arts terug naar Gaza, nadat hij zijn medische studie in het buitenland heeft afgerond. Zijn familie komt bijeen om zijn prestaties te vieren en hem thuis te verwelkomen. Op 11 oktober komen 42 leden van zijn uitgebreide familie om het leven bij een luchtaanval, en zo begint zijn ongelooflijke verhaal van overleven en dienstbaarheid aan zijn volk.
Meer dan acht maanden lang werkt Shehab als vrijwilliger in het Indonesische ziekenhuis in Noord-Gaza. Hij is getuige van catastrofale verwondingen en sterfgevallen en werkt onder de meest moeilijke omstandigheden die je je kunt voorstellen. Het ziekenhuis, dat constant onder vuur ligt van Israëlische strijdkrachten, wordt uiteindelijk verwoest.”
En het gaat daarna nog steeds maar door.
Intussen is het ook een erg mooi stuk. Fadael laat een militaire trommel door het hele stuk heen klinken. De opvallend zachte orkestklank lijken te willen troosten. Fischers gesproken tekst mengt mooi met de orkestklank. Staand in een doorzichtige glazen of plastic kooi (Gaza?) kwast Fischer al declamerend rode strepen op de wanden. Die strepen turven natuurlijk de lijken, maar als ze in een volgende strepen en bogen verft tussen die strepen verschijnen de woorden NOT IN OUR NAME. “Niet in onze naam,” het motto van een beweging van Joodse Israëlis en Joden elders die willen duidelijk maken dat het Israëlische geweld niet in hun naam gebeurt.

Er liep iemand weg. Een zo te zien keurige heer. Ergens in de vijftig. “Maar 7 oktober dan, en Hamas?” dacht die man misschien. Maar begon 7 oktober wel op 7 oktober, lijkt dit werkt te vragen… (Mijn interpretatie, voor de duidelijkheid, en vrij naar Raoul Heertje.)
Uit Shehabs gedicht: “I have seen men curse God.
And I have seen God…
say nothing.”
En niet voor de compositie gebruikt, maar wel in het programmaboek afgedrukt:
“And if God still watches, let him bear witness
For if He is silent now, then one day He must speak.
And when he does, He will whisper not in Hebrew,
nor Arabic, nor English, but in suffering.
The only language that was ever real.”
De laatste woorden van de voor de compositie gebruikte passages, worden een paar keer herhaald en steeds zachter gedeclameerd door Fischer, begeleid door steeds ijler wordende instrumentale klanken: “Colonize the silence”.
Voor en na het stuk van Karmit Fadael waren twee andere composities van nu te horen. In “Siren” ervoor drukt de Britse multimediakunstenares Klein de sfeer van een stad die wordt gedomineerd door politiesirenes en surveillanceapparatuur.
De door Nora Fischer op de kooi geschilderde woorden NOT IN OUR NAME blijven tot het einde van het concert zichtbaar.

Verder kijken, luisteren en lezen
In 2014 was François van den Anker bij een uitvoering van Henze’s Oratorium Das Floss der Medusa.