Home » Achtergrond, Featured

Laurence Dale: “Alles begint bij de klank”

Amsterdam31 maart 2017 19 reacties

Tenor, zangcoach, intendant, dirigent, consulent, regisseur: er zijn weinig operadisciplines die Laurence Dale niet in de vingers heeft. Vorig jaar toonde hij zijn regietalent bij de Nederlandse Reisopera met Ariadne auf Naxos, een productie waar hij onlangs de Opera van het Jaar-award voor ontving. Een portret van een Britse duizendpoot.

Laurence Dale. (© Marco Borggreve)

Laurence Dale. (© Marco Borggreve)

Laurence Dale begon zijn carrière als tenor, maar koesterde al van jongs af aan de ambitie om regisseur te worden. “Ik was gek op opera. Ik smeekte iedereen om me mee te nemen. Ik ruimde vuilnis op in een warenhuis om geld te verdienen voor operatickets.”

Zijn vader nam hem vaak mee naar orkestconcerten. Zijn moeder, die als typiste allerlei scripts en romans van grote auteurs overtikte, zorgde voor een thuis waar kunst en muziek vrij toegankelijk waren. Zo bracht Dale veel tijd door met de lp-verzameling van zijn ouders. Hij verslond de muziek, vaak zelf meedirigerend. “Mijn ouders waren niet muzikaal, maar ze lieten me van alles zien en horen. Nooit zo van: je moet. Maar het was er, het was beschikbaar.”

Ook buitenshuis werd Dale muzikaal en artistiek gestimuleerd. Zo maakte zijn leraar Engels cassettebandjes voor hem met muziek die hij móest horen. “Een Welsh lied werd gevolgd door de finale van Aida, gevolgd door een kwintet van Schubert”, vertelt Dale. Lachend voegt hij toe: “Het was compleet absurd, maar heel genereus.”

Zijn muziekleraar, toevallig genaamd Gardiner, nam Dale op zijn elfde voor het eerst mee naar een opera. Ze bezochten L’Orfeo. “Vijftien jaar later zong ik de hoofdrol in die opera, op hetzelfde toneel.”

Leren van Peter Brook

Op school in Brighton zong Dale mee in het koor. “Het was een rare fase. Ik kon zowel met de tenoren en bassen als met de sopranen meezingen. Ik was toen 14, 15 jaar.”

De lokale zangleraar John Freestone maakte hem vertrouwd met de Garcia-methode en introduceerde hem bij Dame Eva Turner, die hem op het pad naar een carrière als zanger zette. Hij zette zijn regieambities tijdelijk aan de kant en belandde op de Guildhall School of Music in Londen, waar men niet direct overtuigd was van zijn talent, maar waar hij uiteindelijk met onderscheiding afstudeerde.

Laurence Dale: "Peter Brook vond dat ik de mentaliteit voor regisseren had, de capaciteit om afstand te nemen en een werk te analyseren.”

Laurence Dale: “Peter Brook vond dat ik de mentaliteit voor regisseren had, de capaciteit om afstand te nemen en een werk te analyseren.”

Als Guildhall-student kon Dale gratis naar de English National Opera, waar hij geen enkele voorstelling miste en zodoende een flinke repertoirekennis opbouwde. Bij het andere Londense huis, het Royal Opera House, stond hij nog tijdens zijn studie voor het eerst op de planken.

In Covent Garden leerde hij de bekende regisseur Peter Brook kennen, die hem uitnodigde om te auditeren voor de rol van Don José in La Tragédie de Carmen. “Hij stuurde me een vliegticket naar Parijs op. Ik ging er bang naartoe. Iedereen beweerde dat ik het niet kon. Ik kon bovendien geen woord Frans. Bij de auditie hoorde ik allemaal fantastische zangers zingen. Ik dacht: ik word nooit genomen. Maar omdat ik toch niets te verliezen had, zong ik my socks off.”

Dale werd aangenomen en zong de rol van Don José niet alleen bij de wereldpremière, maar in nog meer producties in de seizoenen die volgden. Hij kreeg een hechte band met Brook. “Al tijdens de eerste productie zei hij tegen me: jij moet gaan regisseren. Hij vond dat ik er de mentaliteit voor had, de capaciteit om afstand te nemen en een werk te analyseren.”

Het was toen begin jaren tachtig. Het zou tot het begin van de 21ste eeuw duren voordat Dale zich als regisseur zou laten gelden, maar in de jaren daarvoor, toen hij als tenor over de hele wereld reisde, zoog hij als een spons de kunsten van de regisseurs en dirigenten met wie hij samenwerkte op. En dat waren niet de minsten. Sir Peter Pears, Sir Colin Davis, Sir Charles Mackerras, Patrice Chéreau, Nikolaus Harnoncourt, Götz Friedrich, Pierre Boulez, Ruth Berghaus…

“Bij Berghaus, de grondlegger van het regietheater, zag ik bijvoorbeeld hoe ontzettend goed ze de partituur kende. Van Peter Stein leerde ik veel over lichaamstaal en bij Chéreau ging het om één woord: passie. De ontmoeting van Leonore en Florestan in Fidelio kon me nooit ontroeren, tót de productie van Chéreau. Zo had ik het nog nooit gezien. Ik heb enorm gehuild.”

Turnaround in Metz

Al vroeg in zijn carrière, begin jaren tachtig in Brussel en Salzburg, leerde Dale intendant Gerard Mortier kennen. Ze maakten samen onder meer producties van Die Zauberflöte en L’Orfeo. Ook met hem kreeg Dale een goede band. “We waren close. We maakten lange wandelingen, waarbij hij vertelde over het artistieke leven en over hoe je een operahuis leidt.”

De wijsheid van Mortier kwam goed van pas toen Dale in 2000 artistiek directeur van het Evian Festival werd. Later vervulde hij een directeurspositie in Metz, waar hij het operahuis in korte tijd reorganiseerde en nationaal op de kaart zette. Hij slaagde erin veel nieuw publiek te bereiken, onder meer met voorstellingen en projecten in ziekenhuizen, gevangenissen en achterstandswijken.

Bij Opera Africa in Zuid-Afrika was Dale een tijd lang consultant. Daar speelde hij een belangrijke rol in het stimuleren en ontwikkelen van jong operatalent, vaak uit de townships. Ook als artistiek directeur van de operastudio van de Deutsche Oper am Rhein brak hij een lans voor jong talent.

Twee Ariadnes

Bij het aanbreken van de nieuwe eeuw richtte Dale zijn focus definitief op het regievak. In de eerste jaren boekte hij veel succes met onder meer Der Zarewitsch in Bad Ischl en Powder Her Face in Nantes. De Nederlandse (toen nog Nationale) Reisopera kreeg hem in het vizier en nodigde hem uit voor onder meer L’Opera Seria in 2005 en Les contes d’Hoffmann in 2007, twee veelgeprezen producties. Voor Hoffmann maakte hij een eigen versie, die door sommigen als “historisch” werd omschreven.

Dales band met de Reisopera bleef ook na de harde bezuinigingen en de directeurswissel vitaal, wat in september vorig jaar tot zijn bekroonde enscenering van Ariadne auf Naxos leidde. Een succes dat niet uit de lucht kwam vallen: eerder dat jaar had Dale al de beste operaproductie van 2016 in Australië op zijn naam gezet (Agrippina bij Brisbane Baroque).

Scène uit Dales productie van Ariadne auf Naxos bij de Nederlandse Reisopera. (© Marco Borggreve)

Scène uit Dales productie van Ariadne auf Naxos bij de Nederlandse Reisopera. (© Marco Borggreve)

Wat is de belangrijkste leidraad voor Dale bij het maken van een operaregie? “De meesten zullen zeggen: ik lees eerst de tekst. Maar voor mij is het de klank. De emotie in de muziek. Daar begint het mee. Daarna ga ik terug naar de oorsprong van de opera, bijvoorbeeld het boek La dame aux camélias in het geval van La traviata. Ik kijk waar een opera vandaan komt en waar de componist naartoe wilde.”

Als een detective pluist Dale de ontstaansgeschiedenis van een werk uit. Hij illustreert het aan de hand van Ariadne auf Naxos. Richard Strauss was ontmoedigd door het mislukken van de eerste versie van het werk en wilde snel verder met een nieuwe opera, Die Frau ohne Schatten. Zijn librettist Hugo von Hoffmansthal wilde daarentegen Ariadne een tweede kans geven, maar daar zag Strauss niets in. Na twee aktes Frau ohne Schatten en de nodige frustratie veranderde hij echter van gedachten en begon, in het geheim, aan een nieuwe Ariadne te werken.

Die voorgeschiedenis is volgens Dale essentieel om Ariadne goed te begrijpen. “Vaak wordt Ariadne gezien als een stuk over het conflict tussen commedia dell’arte en opera seria, en wordt het in een rijtje gezet met werken als Viva la mamma en L’Opera Seria, opera’s over het backstagegebeuren in het theater. Maar als je Ariadne in het licht van Die Frau ohne Schatten ziet, heeft het een heel andere betekenis. Dan gaat het over relaties en over liefde.”

Vóór zijn Ariadne bij de Reisopera maakte Dale de “perfecte Ariadne” in Monte-Carlo; een klassieke productie, geheel volgens het boekje, met onder meer een oogverblindende Weense salon vol echt zilverwerk. Toch miste er iets. De kern van het werk, zoals Dale aan de hand van de ontstaansgeschiedenis ontdekte, kwam niet uit de verf. Bij de Reisopera lukte dat wel. “De opera heeft iets transcendentaals en dat konden we in deze productie overbrengen. Daar ben ik erg blij mee. We hebben iets geraakt wat mensen niet kenden in dit werk.”

Meer lezen over Laurence Dale en zijn werk als regisseur, intendant, coach en dirigent? Bezoek zijn persoonlijke website.

door

19 reacties »

  • c.horsmeier zei:

    Ja mooi verteld.
    Is er van die Les Contes d Hoffmann Reisopera 2007 geen dvd??was zo mooie voorstelling prachtig gedaan is nooit meer heropgevoerd.

  • Olivier Keegel zei:

    Kortom, we zijn eruit met de opvolging van Pierre Audi

  • herman Molendijk zei:

    Een sterke opmerking beste heer Keegel.
    De ideale opvolger van Audi!
    Ben bang dat ze nu met een of andere malloot op de proppen komen die met een verhaal begint dat ie eigenlijk helemaal niet van opera houdt, maar het metier toch als een grote uitdaging ziet en zijn artistieke ei er helemaal in kwijt kan ….
    Zie die ramp al helemaal voor me.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Zo is het tenslotte ook met Pierre Audi gegaan. Ik heb hem destijds in een radio-interview horen zeggen, dat hij niet veel van opera wist maar “Don Giovanni” wel kende!

  • c.horsmeier zei:

    Ja ik hoop van Harte dat Laurence Dale het gaat worden de opvolger van Pierre Audi.
    De een of andere malloot zitten we niet op te wachten.
    Ja Kasper Holten maar ja die is al voorzien.
    Peter de Caluwe ook mooi.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Kasper Holten is zojuist vertrokken bij Covent Garden. De (offciële) reden waarom hij zijn contract daar niet heeft verlengd was, dat hij meer tijd wilde doorbrengen bij zijn blijkbaar in Kopenhagen wonend gezin. Onomstreden was hij trouwens niet. Dat hij “al voorzien” is, is me ontgaan. Ik ben er niet van overtuigd, dat hij zo’n goede keus zou zijn. Peter de Caluwe heeft in Anmsterdam gewerkt als casting director. Of dat in zijn voor- of nadeel werkt kan ik niet overzien. Ik verwacht, dat hij pas uit Brussel weg zal gaan óf na afloop van zijn contract óf als daar conflicten zouden ontstaan. Aan wat ik van Laurence Dale gezien heb bij de Reisopera – L’Opera seria, Il barbiere di Siviglia, Madama Butterfly en Ariadne auf Naxos – bewaar ik heel goede herinneringen, dus wat mij betreft: laat maar komen.

  • Wiebke Göetjes zei:

    Fijn dat we het eens zijn met z’n allen!

  • Olivier Keegel zei:

    Het feit dat wij het met z’n allen eens zijn, doet mij het ergste vrezen voor de kandidatuur van Laurence. Vergeet niet dat de keuzeheren en -dames aan hun stand verplicht zijn met “een verrassing” te komen: iets in de sfeer die zo treffend door Herman Molendijk is beschreven. Iets Johan Simons-achtigs, maar dan jonger. Moet een lulverhaal hebben over vernieuwing en een kunstvorm die midden in de maatschappij staat. Iets Lotte de Beer-achtigs zou dus ook kunnen.

    Ik denk dat iemand die, zoals Jordi zo treffend formuleert, alle operadisciplines in de vingers heeft en die prachtige regies heeft gedaan die door velen werden geprezen (fout! fout! fout!), niet snel zal worden uitverkozen om DNatO te leiden.

    Mooie voorstellingen maken, zelf gezongen hebben, intendant geweest zijn, opera door al je aderen hebben vloeien: Laurence, Laurence, Laurence, had dat nou niet beter gekund?!

  • Pieter K. de Haan zei:

    Ophouden hiermee, beste mensen. Zo Laurence Dale al op een lijstje zou staan, wat ik niet geloof, dan maken wij hem op deze manier volstrekt kansloos!

  • Olivier Keegel zei:

    Ik houd het op een jonge regisseur die als leider van een klein gezelschap spraakmakende voorstellingen heeft gemaakt en duidelijk voeling heeft met eigentijds muziektheater.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Beste heer Olivier, uw karakterisering geeft zowel blijk van cynisme als van realiteitszin. Laurence Dale valt al direct af: hij loopt tegen de 60, spraakmakend is hij niet en voeling met “eigentijds muziektheater” dicht ik hem niet toe. Hij komt dus niet in aanmerking, ook al niet omdat hij hier wordt aangeprezen.Ik vrees, met u, nog steeds het ergste.

  • Pieter K. de Haan zei:

    Ik had het al gelezen, maar een officiële mededeling is er nog niet. Ik weet net zo weinig over haar als destijds over Pierre Audi, maar deze mevrouw kent, anders dan de Pierre Audi van toen, de operawereld op zijn minst tot op zekere hoogte. Of dat een voordeel is zal de tijd moeten leren. Onverdeeld enthousiast ben ik vooralsnog niet.

  • Leen Roetman zei:

    De benoeming van Sophie de Lint zou goed nieuws kunnen zijn voor de liefhebbers van verismo! Want wat lees ik in een artikel van een Zwitserse krant n.a.v. de uitvoeringen in Zürich van de blockbuster Cavalleria rusticana / Pagliacci:
    “Es war Giacomo Puccini, der die Komponisten seiner Zeit überflügelte und Werke wie Leoncavallos «La Bohème» oder Cileas «Adriana Lecouvreur» fast vergessen liess. (…) In Zürich wird nicht nur oft Puccini gespielt, sondern auch Opern seiner Zeitgenossen wie z. B. «Francesca da Rimini» von Riccardo Zandonai. Laut Sophie de Lint passen sie sogar bestens ins Profil des Opernhauses Zürich, da Generalmusikdirektor Fabio Luisi einer der grössten Kenner und Fans dieses Repertoirs ist.”
    Nu nog een dirigent vinden!

  • Pieter K. de Haan zei:

    Sophie de Lint is in Zürich “Operndirektorin”, maar wel ondergeschikt aan intendant Andreas Homoki, met wie men in Zürich – volgens mijn operavrienden daar – niet bepaald gelukkig is. In hoeverre zij daar invloed heeft op het artistieke beleid is dus nog maar de vraag. Dat zij Nederlandse is vind ik niet zo belangrijk, al was het maar omdat zij – zoals ik ergens heb gelezen – al als kind uit Nederland is vertrokken en nog slechts een “roestig” Nederlands spreekt. Marc Albrecht vind ik zeker geen slechte dirigent. Hij is alleen beperkt qua repertoire. Het Italiaanse ligt hem blijkbaar niet. Ik vind, dat men bij DNO bij de keuze van dirigenten herhaaldelijk de boot gemist heeft door daar nooit Ed Spanjaard te benoemen: een alleskunner bij uitstek!

  • Stefan Caprasse zei:

    Zou het niet beter zijn haar het “voordeel van de twijfel te geven” en er het beste van te hopen in plaats van op voorhand doemscenario’s op te hangen? Valt het tegen dan kan er achteraf nog geklaagd worden -al is het dan natuurlijk wel te laat!-
    En daarbij, iedereen tevreden stellen is toch onmogelijk…

  • Pieter K. de Haan zei:

    Vooralsnog gaat het om een onbevestigd bericht op een site, waarop enkele jaren geleden, bij wijze van 1-april-grap, het bericht is verschenen, dat Pierre Audi naar de Scala zou vertrekken. Dat kan nu niet het geval zijn – het bericht is immers van 7 april – en misschien geldt: “waar rook is is vuur”. Met die “doemscenario’s” loopt het nogal los, lijkt me. Uit iemand “het voordeel van de twijfel (te) geven” en “er het beste van te hopen” spreekt overigens niet veel vertrouwen. Ik zou liever iemand zien, die dat niet nodig heeft.

  • Leen Roetman zei:

    Het lijkt mij dat Sophie de Lint dat niet nodig heeft. Ze is sinds 2009 verbonden aan het Opernhaus Zürich, “Herrin der Stimmen” , “Operndirektorin und damit wichtigster Mensch im Haus. (Diese Position gab es bei Pereira nicht, er machte das selber.) Sie engagiert die Sänger, sie feuert die Sänger, sie macht die Besetzungen. Was macht eigentlich Herr Homoki? Er inszeniert.”
    En “Ben je in Rotterdam geboren” heb je voor mij altijd een streepje voor! 🙂
    Ik hoop dat het bericht klopt!

  • Anna Minis zei:

    Haha, Leen Roetman! ik ben in Rotterdam opgegroeid en ik weet precies wat u bedoelt.

Laat uw reactie achter!

Hieronder kunt u een reactie geven op dit artikel.

Operaliefhebbers: wees aardig voor elkaar. Houd het taalgebruik netjes en blijf bij het onderwerp.