Achtergrond

Mijn Strauss: Capriccio

Richard Strauss componeerde vijftien opera’s. Peter Franken zag er elf meerdere keren in het theater. In een serie kijkt hij terug op memorabele voorstellingen van al die titels. In deel tien: Capriccio in Frankfurt.

Camilla Nylund als de gravin in Capriccio bij de Oper Frankfurt. (© Monika Rittershaus)

De voorstellingen van Capriccio in Amsterdam (2000) en Düsseldorf (2003) niet te na gesproken, kies ik hier zonder aarzeling voor de fenomenale productie die ik in 2018 in Frankfurt zag, met Camilla Nylund als de Gravin.

Capriccio werd gecomponeerd in 1940 en 1941 en ging op 28 oktober 1942 in München in première. Velen hebben zich erover verbaasd dat Strauss in die tijd met een werk kwam dat handelde over zoiets triviaals als het primaat onder de kunsten, meer in het bijzonder het woord en de muziek. Toch is dat niet zo verwonderlijk. Om te beginnen was Strauss een volstrekt apolitiek persoon en bovendien had hij er geen enkel persoonlijk belang bij de toenmalige regering tegen zich in het harnas te jagen, vanwege zijn Joodse schoondochter. Mede hierdoor heeft zij de oorlog kunnen overleven.

Daarnaast is er de artistieke afstandelijkheid die wordt gesuggereerd in de opera zelf als de actrice Clairon zegt: ‘Wenn wir in unsere Welt des Scheins der Wirklichkeit zu nahe kommen, so ist die Kunst in Gefahr sich die Flügel zu verbrennen.’ Kortom, opera dient geen direct verband te hebben met de actualiteit, een uitgangspunt dat ook vandaag de dag voor verdeeldheid zorgt tussen regietheateradepten en zij die opera zien als ‘een noodzakelijke luxe’ die de bezoeker de gelegenheid geeft zich even aan de zorgen van alledag te onttrekken.

‘Wort und Ton’ worden in Capriccio gepersonifieerd door respectievelijk de dichter Olivier en de componist Flamand. Zij proberen elkaar de loef af te steken op hun vakgebied. Tegelijkertijd dingen ze naar de hand van de gravin, de jeugdige weduwe Madeleine, die hun gastvrijheid biedt op het kasteel dat zij deelt met haar broer.

Centraal in het verloop van de handeling staat een sonnet van de zestiende-eeuwse dichter Pierre de Ronsard, dat zogenaamd door Olivier is geschreven. Olivier probeert indruk op de gravin te maken door zijn tekst vol gevoel te declameren, maar zij wordt er slechts matig door bewogen. Intussen ziet Flamand zijn kans schoon en zet het gedicht razendsnel op muziek. Als hij het voorzingt, gaat er een wereld voor Madeleine open; nu vindt ze het pas echt ontroerend.

Hoewel de strijd begrijpelijkerwijs in de opera onbeslist blijft, is duidelijk dat Flamand en zijn muziek een streepje voor hebben. Dat was ook wel te verwachten in een libretto van de hand van een componist en een dirigent.

In haar productie voor de Oper Frankfurt heeft Brigitte Fassbaender het stuk verplaatst naar de tijd van het Vichyregime, tevens de tijd waarin het werk zijn première beleefde. De dubbele keuze – muziek of dichtkunst, plus de bijbehorende kunstenaar – krijgt hiermee een extra dimensie: het besluit om wel of niet in het verzet te gaan. Onze gravin blijkt die keuze al lang tevoren gemaakt te hebben. Het doet denken aan de film L’armée des ombres van Jean-Pierre Melville, waarin een teruggetrokken kamergeleerde tot ieders verrassing het hoofd van de Résistance blijkt te zijn.

Het decor en de kostuums zijn van Johannes Leiacker, tot in de puntjes verzorgd en geheel in overeenstemming met de gekozen periode. De speelruimte wordt gevormd door een overmaatse serre, die aan de achterzijde toegang lijkt te geven tot een theaterzaal. We bevinden ons op een château, zo’n voorziening hoeft dus geen vervreemding te wekken. De serre is spaarzaam gemeubileerd, niet meer dan een tafel en een paar stoelen.

Camilla Nylund als de gravin met AJ Glueckert als Flamand (links) en Daniel Schmutzhard als Olivier in Capriccio bij de Oper Frankfurt. (© Monika Rittershaus)

De personenregie van Fassbaender is tot in de kleinste details uitgewerkt. Bij voortduring is er sprake van waarneembare interactie tussen alle aanwezigen, ook wanneer zij niets te zingen hebben. Zo worden ook de Haushofmeister en de acht bedienden van meet af aan in de handeling betrokken en ook de aankomst van de danseres en de Italiaanse zangers krijgt de volle aandacht.

Opvallend is ook de rol van de souffleur Monsieur Taupe. Hij is al direct in beeld en blijkt een zeer nieuwsgierig mannetje te zijn. De indruk wordt gewekt dat hij een spion is die na moet gaan of het kasteel een centrum van het verzet is. Graham Clark speelde zijn personage fraai uit, een hybride van Mime en een typetje van Louis de Funes.

De twee kemphanen Olivier en Flamand werden uitstekend vertolkt door respectievelijk Daniel Schmutzhard en AJ Glueckert. De graaf was in goede handen bij Gordon Bintner en Tanja Ariane Baumgartner speelde de actrice Clairon met mooi gedoseerde sterallures.

Terwijl de strijd tussen Olivier en Flamand woedt, weten ze elkaar te vinden in hun kritiek op theaterdirecteur La Roche. Deze heeft als enige man een lange monoloog in het stuk en weet daarin iedereen op het toneel ‘plat te krijgen’. Bas Alfred Reiter wist mij op dit punt echter niet geheel te overtuigen. Ik vond hem te licht voor zijn rol en te veel klinken als een karakterbariton met een wat hese stem. Declamatorisch zat het wel goed, maar zangtechnisch was het wat minder.

Daar was bij Camilla Nylunds vertolking van de verliefde gravin Madeleine – maar op wie, of op beiden? – in het geheel geen sprake. Nylund is een gravin in de traditie van Elisabeth Schwarzkopf en Lisa della Casa; uiterlijk wat afstandelijk en onderkoeld, maar met onderhuidse sensualiteit. De perfecte Strauss-heldin. Haar slotmonoloog ‘Morgen Mittag um elf’ was van een overweldigende schoonheid. Strauss zou haar zonder meer gecomplimenteerd hebben.

Aan het einde van haar bespiegelingen wisselt ze van kleding. De Haushofmeister reikt haar een vaalgroene mantel en donkere baret aan en in één klap is de voorname Madeleine getransformeerd in Michelle – ‘I will say this only once’. Samen met haar negen man personeel gaat ze op weg voor een gewapende verzetsactie. Het is een onverwacht ontroerend einde en Fassbaender verdient een groot compliment dat ze deze actualisering met mooi uitgewerkte subplot zo doeltreffend heeft weten te ensceneren.

Sebastian Weigle gaf met vaste hand leiding aan het Frankfurter Opern- und Museumsorchester. Ook tijdens de chaotische taferelen die voorafgaan aan de monoloog van La Roche wist hij orkest en spelers uitstekend houvast te bieden. Nergens gleed het maar een moment af. Luisteren naar Capriccio werkt verslavend. Het is opium voor straussianen.

Vorig artikel

Bel met medewerkers afgelaste operaproducties

Volgend artikel

OperaVision viert World Music Day met gala

De auteur

Peter Franken

Peter Franken